ECLI:NL:CRVB:2025:1907

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
25/1571 WMO15-VV-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om wraking in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland. Tijdens de behandeling op 29 september 2025 heeft verzoeker een verzoek tot wraking ingediend tegen de behandelend rechter, M.A.H. van Dalen-van Bekkum, naar aanleiding van haar vraagstelling tijdens de zitting. Verzoeker meende dat de rechter niet onbevooroordeeld was en dat zij hem had veroordeeld zonder rekening te houden met zijn tegenbewijs. De behandelend rechter heeft echter aangegeven niet in de wraking te berusten. Op 30 oktober 2025 vond een zitting plaats waar verzoeker werd gehoord, maar de behandelend rechter maakte geen gebruik van de gelegenheid om zich te verdedigen.

Vervolgens heeft verzoeker op 1 december 2025 een verzoek tot wraking ingediend tegen de wrakingskamer, die op dat moment bestond uit T. Dompeling, C.W.C.A. Bruggeman en E.A. Akkerman. Dit verzoek werd eveneens afgewezen. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn overwegingen uiteengezet dat een wrakingsverzoek alleen kan worden toegewezen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die wijzen op vooringenomenheid van de rechter. De Raad concludeert dat de door verzoeker aangevoerde gronden niet voldoende zijn om aan te nemen dat de behandelend rechter vooringenomen was. De Raad wijst het verzoek om wraking af, waarbij hij benadrukt dat de rechter op grond van zijn aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor het tegendeel.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum beslissing: 11 december 2025

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 18 april 2025, 25/1289 en 25/1290, in een geding tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Groningen. Verzoeker heeft tevens verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Het verzoek om voorlopige voorziening en het hoger beroep zijn op 29 september 2025 ter zitting behandeld door M.A.H. van Dalen-van Bekkum (behandelend rechter).
Bij brief van 1 oktober 2025 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter.
De behandelend rechter heeft op het wrakingsverzoek gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de Raad op 30 oktober 2025. Verzoeker is verschenen. De behandelend rechter heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Verzoeker heeft na de zitting op 30 oktober 2025 verzocht om wraking van de wrakingskamer. Op 1 december 2025, 25/858 WMO-W2-PV en 25/1571 WMO-W2-PV, heeft een nieuwe wrakingskamer, met T. Dompeling als voorzitter en C.W.C.A. Bruggeman en E.A. Akkerman als leden, het verzoek om wraking van de wrakingskamer afgewezen.

OVERWEGINGEN

Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking, zoals de Raad begrijpt en verzoeker ter zitting heeft toegelicht, samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. De behandelend rechter heeft met haar vraagstelling tijdens de zitting laten zien niet onbevooroordeeld naar de zaak te kijken. Zij heeft verzoeker veroordeeld zonder oog te hebben voor het door hem aangedragen tegenbewijs. De behandelend rechter heeft verder het college er niet van weerhouden in een andere zaak dan de onderhavige een door het college nader genomen besluit aan het dossier toe te voegen. Tot slot heeft de behandelend rechter geoordeeld over verzoeken om doorbreking van het appelverbod die niet door verzoeker zijn gedaan.
De Raad komt tot het oordeel dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt.
3.1.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn. [1]
3.2.
In wat verzoeker heeft aangevoerd ziet de Raad geen uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing vormt dat de behandelend rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, of dat een daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De behandelend rechter heeft verzoeker tijdens de zitting, met het oog op de toekomst, slechts gezegd dat het belangrijk is dat hij op zijn nieuwe woonplek niet in de moeilijkheden komt. Van een ‘veroordeling’ door de behandelend rechter zonder oog te hebben voor het door hem aangedragen tegenbewijs is geen sprake. Dat de behandelend rechter het college er niet van heeft weerhouden om in een andere zaak dan de onderhavige een door het college nader genomen besluit aan het dossier toe te voegen, levert evenmin een zwaarwegende aanwijzing op zoals hiervoor bedoeld. Het staat het college namelijk vrij om stukken, zoals nader genomen besluiten, aan de Raad te sturen. De stelling dat de behandelend rechter heeft geoordeeld over verzoeken om doorbreking van het appelverbod mist tot slot feitelijke grondslag. Verzoeken om doorbreking van het appelverbod maken, zoals ook al in de uitnodiging voor de zitting van 29 september 2025 was vermeld, geen deel uit van de procedure.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
De beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en E.C.E. Marechal als leden, in tegenwoordigheid van N El. Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
De griffier De voorzitter
(getekend) N El. Khabazi (getekend) E.J.M. Heijs

Voetnoten

1.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770, rechtsoverweging 4.2.3.