ECLI:NL:CRVB:2025:224
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Wajong-uitkering wegens ontbreken rechtsgrond en geen geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel
Appellante vroeg in 2015 een Wajong-uitkering aan die het UWV toewees met ingang van die datum. Later stelde het UWV vast dat deze toekenning onterecht was omdat de situatie van duurzaam ontbreken van benutbare arbeidsmogelijkheden niet bestond per 1 januari 2011. Appellante voerde aan dat zij recht had op een Wajong-uitkering vanaf 2011 omdat zij studeerde en arbeidsongeschikt was en dat zij erop mocht vertrouwen dat de uitkering niet zou worden beëindigd omdat het UWV deze meer dan vijf jaar had doorbetaald.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de uitkering beëindigde en dat appellante geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan het doorbetalen van de uitkering. Ook was de gehanteerde uitlooptermijn van het UWV niet onzorgvuldig. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en wijst het hoger beroep af. De Raad volgt het standpunt dat de toekenning van de uitkering in 2015 onterecht was vanwege een fout in het rapport over de duurzaamheidsbeoordeling.
De Raad overweegt dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 3:2 Wajong Pro omdat zij op haar zeventiende verjaardag niet arbeidsongeschikt was en dat de latere diagnoses geen aanleiding geven tot een latere ingangsdatum. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat het UWV geen toezeggingen heeft gedaan waaruit appellante redelijkerwijs mocht afleiden dat de uitkering niet zou worden beëindigd. De uitlooptermijn van ruim drie maanden is passend en niet onzorgvuldig. Het hoger beroep wordt verworpen en de beëindiging van de Wajong-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de Wajong-uitkering van appellante terecht per 1 december 2021 heeft beëindigd.