ECLI:NL:CRVB:2016:1776
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van Zeben-de Vries
- M.C. Bruning
- L. Koper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft meerdere aanvragen ingediend voor een Wajong-uitkering, waarbij steeds werd vastgesteld dat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor toekenning. De eerste aanvraag in 2004 wees het UWV af wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%. Latere aanvragen in 2010 en 2013 werden eveneens afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die aanleiding gaven het eerdere besluit te herzien.
De rechtbank bevestigde deze besluiten en oordeelde dat appellante niet voldeed aan de voorwaarde dat zij aan het einde van de wachttijd ongeschikt was voor arbeid. Appellante stelde dat haar klachten, waaronder Gilles de la Tourette en een paniekstoornis, waren toegenomen, maar dit werd door verzekeringsartsen niet als toename van beperkingen binnen vijf jaar beoordeeld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank het juiste toetsingskader had gehanteerd en dat appellante geen nieuwe feiten had aangevoerd die tot herziening konden leiden. Ook voldeed zij niet aan de wettelijke voorwaarden voor toekenning van een Wajong-uitkering op grond van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de wachttijd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten en onvoldoende arbeidsongeschiktheid.