ECLI:NL:CRVB:2025:28
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep WIA-uitkering en proceskostenvergoeding bij overschrijding redelijke termijn
Appellant had aanvankelijk geen recht op een WIA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na bezwaar en beroep kwam het UWV in hoger beroep terug en kende appellant een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Appellant bleef echter van mening dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en vorderde een IVA-uitkering vanaf 13 april 2017.
De Raad vernietigde de eerdere besluiten en bepaalde dat appellant recht heeft op een IVA-uitkering vanaf genoemde datum. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de nabetaling. Appellant verzocht om vergoeding van daadwerkelijk gemaakte proceskosten vanwege bijzondere merites en bewerkelijkheid, maar de Raad wees dit af en kende een forfaitaire vergoeding toe conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Daarnaast werd een schadevergoeding van €3.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie jaar en zes maanden, waarbij de Staat werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding en de proceskosten. De Raad benadrukte dat er geen sprake was van ernstig onzorgvuldig handelen door het UWV dat uitzonderlijk hoge kosten rechtvaardigde.
Uitkomst: Appellant krijgt recht op een IVA-uitkering vanaf 13 april 2017, een forfaitaire proceskostenvergoeding en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.