ECLI:NL:CRVB:2008:BD0245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzondere omstandigheden bij proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke boetezaak
In deze bestuursrechtelijke procedure stond de hoogte van de proceskostenvergoeding centraal, voortvloeiend uit een boete opgelegd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over het jaar 2000.
De betrokkene had bezwaar gemaakt tegen de boete die was opgelegd wegens vermeende onjuiste eindafrekeningen van het premieloon. De rechtbank had de boete grotendeels vernietigd en een relatief hoge proceskostenvergoeding toegekend, gelet op de bijzondere omstandigheden dat betrokkene onnodig in beroep was gebracht en aanzienlijke kosten had moeten maken.
Het UWV stelde hoger beroep in tegen de hoogte van deze vergoeding, stellende dat geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) aanwezig waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat hoewel betrokkene onnodig in beroep was gebracht, de kosten niet uitzonderlijk hoog waren en redelijkerwijs gemaakt moesten zijn. Daarom was geen grond voor een afwijking van de forfaitaire vergoeding.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak voor zover deze de proceskostenvergoeding betrof en stelde deze vast op €805. Een proceskostenveroordeling in hoger beroep werd niet toegewezen.
Uitkomst: De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €805, zonder toekenning van een hogere vergoeding wegens bijzondere omstandigheden.