ECLI:NL:CRVB:2025:293
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt juiste vaststelling dagloon WIA ondanks latere loonbetaling
Betrokkene werkte van november 2013 tot januari 2014 bij twee werkgevers binnen hetzelfde concern en viel begin februari 2014 uit. Het UWV stelde haar dagloon voor de WIA-uitkering per 1 juli 2016 vast op €27,99, waarbij loonbetalingen die in februari 2014 plaatsvonden maar betrekking hadden op januari 2014 buiten beschouwing werden gelaten.
De rechtbank oordeelde dat deze strikte toepassing van het Dagloonbesluit leidde tot een onredelijk nadeel voor betrokkene en vernietigde het besluit van het UWV, stellende dat het loon uit februari 2014 toch moest worden meegenomen. Het UWV ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de loonbetalingen steeds achteraf werden gedaan en dat de loonopgave van de opvolgende werkgever correct was. De Raad oordeelde dat het achteraf betalen van loon niet ongebruikelijk is en dat het Dagloonbesluit hierop is afgestemd. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van het evenredigheidsbeginsel rechtvaardigden.
Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en bevestigde dat het dagloon terecht was vastgesteld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard.