ECLI:NL:CRVB:2025:294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen bij jonggehandicapte
Appellante vroeg op grond van de Wajong een uitkering aan vanwege een taalontwikkelingsstoornis, laag IQ en diverse aandoeningen die pijn veroorzaken. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij op haar achttiende verjaardag arbeidsvermogen had en weigerde de uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig was en dat appellante weliswaar intensieve begeleiding nodig heeft, maar wel over basale werknemersvaardigheden beschikt en in staat is eenvoudige, routinematige taken uit te voeren.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet vier uur per dag belastbaar is, niet aaneengesloten kan werken en geen basale werknemersvaardigheden bezit, mede onderbouwd met een psychologisch rapport en Wlz-indicatie. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat de rapporten van het UWV en de rechtbank voldoende gemotiveerd zijn en dat de beperkingen van appellante passen binnen de voorwaarden voor arbeidsvermogen, ook binnen beschutte werkomgevingen.
De Raad benadrukte dat de Wlz-indicatie en vervoersvoorzieningen niet uitsluiten dat appellante arbeidsvermogen heeft. De Raad concludeerde dat appellante op 1 mei 2022 over arbeidsvermogen beschikte en daarom niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellante op 1 mei 2022 over arbeidsvermogen beschikte.