ECLI:NL:CRVB:2025:320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek medische urenbeperking en inkomensvrijlating op grond van de Participatiewet
Appellante, die bijstand ontvangt en sinds 2003 een indicatie heeft voor arbeidsbeperkingen, verzocht het college om een medische urenbeperking en inkomensvrijlating op grond van de Participatiewet. Het college wees dit verzoek af op basis van medisch onderzoek door verzekeringsartsen van het UWV, die concludeerden dat appellante geen urenbeperking heeft.
Appellante stelde zich op het standpunt dat zij wel medisch urenbeperkt is vanwege een combinatie van pijnklachten en een mogelijk rusteloos benen syndroom (PLM-syndroom), ondersteund door rapporten van een door haar ingeschakelde verzekeringsarts en een neuroloog. Het college weerlegde dit met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die het PLM-syndroom als mild beoordeelde en geen aanwijzingen zag voor een verhoogde slaapbehoefte of noodzaak tot urenbeperking.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en liet het besluit van het college in stand. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het college terecht het besluit baseerde op de rapporten van het UWV en dat de door appellante overgelegde rapporten onvoldoende onderbouwing boden voor een urenbeperking. Ook zag de Raad geen aanleiding tot benoeming van een deskundige.
De Raad concludeerde dat appellante geen medische urenbeperking heeft en derhalve niet in aanmerking komt voor inkomensvrijlating. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de medische urenbeperking en inkomensvrijlating wordt bevestigd.