ECLI:NL:CRVB:2025:351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere subsidie en terugvordering voorschot NOW-2 ondanks gewijzigde aandeelhoudersstructuur
Appellante, een dienstverlener in mode en interieur, vroeg een tegemoetkoming loonkosten aan op grond van de NOW-2 voor juli tot en met oktober 2020. De minister kende een voorschot toe, maar stelde bij definitieve vaststelling het subsidiebedrag lager vast omdat de loonsom in juni-september 2020 lager was dan viermaal de referentiemaand maart 2020. Dit leidde tot een terugvordering van het teveel betaalde voorschot.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat door een wijziging in de aandeelhoudersstructuur, waarbij de meerderheidsaandeelhouder niet langer als werknemer werd beschouwd, de loonsom lager uitviel. Zij verzocht om geen korting toe te passen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de regeling dwingend voorschrijft dat de loonsom zoveel mogelijk gelijk moet blijven, ongeacht de reden van daling.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, stellende dat bijzondere omstandigheden een afwijking rechtvaardigen. De Raad oordeelde dat de lagere loonsom het gevolg was van een bedrijfseconomische situatie die niet verband hield met COVID-19 en dat de regeling niet bedoeld is om ondernemersrisico’s te dekken. De financiële nadelige gevolgen zijn niet onevenredig in verhouding tot het doel van de regeling. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De subsidievaststelling op grond van de NOW-2 wordt bevestigd op €30.109,- en het teveel betaalde voorschot van €53.431,- wordt teruggevorderd.