ECLI:NL:CRVB:2025:374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken beroepsgronden na faillissement werkgever
Appellant vroeg een uitkering aan op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet vanwege het faillissement van zijn werkgever. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag af omdat deze meer dan 26 weken na het faillissement werd ingediend. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in, maar diende geen beroepsgronden in.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van beroepsgronden en zag geen aanleiding om de zaak aan te houden of appellant alsnog gelegenheid te geven deze in te dienen. Appellant stelde dat hij de brief waarin hij het verzuim kon herstellen niet had ontvangen en dat zijn gemachtigde door ernstige ziekte niet tijdig kon handelen.
De Raad oordeelde dat het handelen van een professionele gemachtigde voor risico van appellant komt en dat de medische omstandigheden van de gemachtigde niet zodanig waren dat het verzuim verschoonbaar is. Gezien het tijdsverloop van meer dan een jaar en de mogelijkheden die appellant had om alsnog gronden in te dienen, bevestigde de Raad de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van beroepsgronden.