ECLI:NL:CRVB:2025:383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens erfenis zonder dringende redenen
Appellante ontving vanaf juni 2017 bijstand en meldde in februari 2021 dat zij een erfenis van haar tante zou ontvangen. Het college trok de bijstand met ingang van februari 2021 in en vorderde kosten terug over een periode van juni 2019 tot juni 2020, gebaseerd op de peildatum van het overlijden van de tante. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en liet de besluiten in stand. In hoger beroep betoogde appellante dat het onrechtvaardig was dat de erfenis werd teruggevorderd en dat de peildatum onjuist was vastgesteld. De Raad oordeelde dat het aanvullende karakter van bijstand terugvordering rechtvaardigt omdat appellante met de erfenis in haar levensonderhoud had kunnen voorzien, en dat de peildatum juist is vastgesteld op het moment van overlijden volgens vaste rechtspraak. Ook de communicatieproblemen en vermeende schending van de AVG door het college vormden geen dringende reden om terugvordering te matigen. Het hoger beroep slaagde niet en de terugvordering van € 10.044,78 bleef gehandhaafd.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wegens de erfenis wordt bevestigd zonder dat dringende redenen tot matiging worden erkend.