Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2025 in de zaak tussen
[eisers] uit [woonplaats] , eisers
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
Samenvatting
- vaststelling dat eisers geen recht hadden op de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (de AIO of de AIO-aanvulling) en de intrekking van de AIO;
- terugvordering van de AIO;
- invordering van de AIO;
- afwijzing van de (nieuwe) AIO-aanvraag;
Procesverloop
Totstandkoming van het besluit
Beoordeling door de rechtbank
inde tussenliggende periode niet tot terugvordering wordt overgegaan, maar achteraf wel
overdie periode mag worden teruggevorderd. Gelet op de waarde van de woning werd de vermogensgrens op 30 november 2021 overschreden en hadden eisers geen recht meer op de AIO. Zoals hiervoor (in overweging 21) is overwogen staat dat op zichzelf niet ter discussie tussen partijen. Verweerder was gelet op het voorgaande bevoegd om met ingang van 30 november 2021 (tot 5 augustus 2022) de AIO terug te vorderen op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW.
nuniet (zelfstandig) tot verkoop van de woning kan overgaan, omdat haar zus daarvan mede-eigenaar is en dat het aandeel in de woning – zo stelt eiseres – onverkoopbaar is, doet daaraan niet af en legt in het kader van de te maken belangenafweging daarom onvoldoende gewicht in de schaal. De rechtbank volgt eisers ook niet in hun betoog dat het feit dat eiseres pas vanaf 5 augustus 2022 kon beschikken over haar aandeel in de woning maakt dat verweerder de belangenafweging in het voordeel van eiser had moeten laten uitvallen. De terugvordering vindt immers pas achteraf plaats. Dat is de essentie van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder ook een evenwichtige afweging heeft gemaakt van de betrokken belangen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de invordering bij het bestreden besluit;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
mr.N.H.C. Schroeten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2025.
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
6. Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.
1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
[…]
1. Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
b. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.
2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;
c. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;
d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 65.500,00;
e. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m.
3. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: € 7.770,00;
b. voor een alleenstaande ouder: € 15.540,00;
c. voor de gehuwden tezamen: € 15.540,00.
4. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bezittingen die worden verworven in de periode waarover algemene bijstand is toegekend en op middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid, daarbij wordt verminderd met het vermogen dat: a. bij aanvang van de bijstandsverlening niet in aanmerking is genomen op grond van het tweede lid, onderdeel b;
b. tijdens de bijstandsverlening niet in aanmerking is genomen op grond van dit lid.
1. De Sociale verzekeringsbank heeft tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan:
a. alleenstaanden en alleenstaande ouders die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt;
b. gehuwden, van wie beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
2. De artikelen 1 tot en met 6, hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 18, hoofdstuk 3, de paragrafen 5.1 en 5.2, hoofdstuk 6 en de artikelen 79, 80 en 81 zijn van toepassing op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand:
a. anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
b. in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;
c. voortvloeit uit gestelde borgtocht;
d. ingevolge artikel 52 bij Pro wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;
e. anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of
f. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat: