ECLI:NL:CRVB:2025:402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht door contante stortingen op bankrekening
Appellante ontvangt sinds 2017 bijstand en heeft vijf kinderen, waaronder een zoon die contant geld en bijschrijvingen op haar bankrekening verrichtte. Tijdens een heronderzoek zijn bankafschriften over 2020 en begin 2021 opgevraagd, waaruit bleek dat veel contante bedragen en bijschrijvingen van derden, vooral haar zoon, op haar rekening stonden.
Appellante verklaarde dat zij niet op de hoogte was van deze stortingen, maar de Raad oordeelde anders: zij gebruikte zelf de rekening en wist van de stortingen, zoals blijkt uit haar eigen verklaringen en die van haar zoon. Het college herzag en vorderde de bijstand terug wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellante stelde dat de bedragen voor haar zoon waren en zij er geen voordeel van had, maar zij slaagde er niet in dit aannemelijk te maken met objectieve bewijsstukken. De Raad bevestigde dat de stortingen als inkomen van appellante moeten worden beschouwd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 11 februari 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van de bijstand blijft in stand.