ECLI:NL:CRVB:2025:404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlenging Bbz-uitkering voor gevestigde zelfstandige zonder externe tijdelijke omstandigheden
Appellant, eigenaar van een bedrijf sinds 2011, vroeg een Bbz-uitkering voor levensonderhoud aan vanwege financiële problemen en een geschil met de Belastingdienst. Het college kende een uitkering toe voor twaalf maanden, maar weigerde verlenging omdat er geen sprake was van externe omstandigheden van tijdelijke aard zoals bedoeld in artikel 18 van Pro het Bbz 2004.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde het besluit. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanwege investeringen, marketingactiviteiten en een openstaande incasso van € 55.715,- recht had op verlenging. Ook stelde hij dat het ontbreken van tolkenbijstand bij de rechtbankprocedure zijn verdediging schaadde.
De Raad oordeelde dat het ontbreken van tolkenbijstand niet leidde tot onrechtmatigheid omdat appellant voldoende gelegenheid had gekregen zijn verklaring af te leggen en geen schorsing had verzocht. Verder concludeerde de Raad dat de aangevoerde omstandigheden betrekking hadden op de bedrijfsvoering en niet kwalificeerden als externe tijdelijke omstandigheden. Daarom was verlenging van de uitkering niet gerechtvaardigd.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af, waardoor appellant geen vergoeding van proceskosten ontvangt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitkering wordt niet verlengd wegens het ontbreken van externe omstandigheden van tijdelijke aard.