Appellant ontving bijstand en verrichtte daarnaast werkzaamheden bij een autogarage zonder dit te melden, waardoor het college de bijstand introk wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank handhaafde dit besluit, maar appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelde vast dat appellant inderdaad werkzaamheden verrichtte die relevant zijn voor het recht op bijstand, maar dat het college bij de schattende vaststelling van het inkomen onterecht uitging van het uurloon van een zelfstandige automonteur in plaats van het lagere loon uit de arbeidsovereenkomst van appellant. Hierdoor was het besluit onjuist.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij het juiste uurloon moet worden gehanteerd. Tevens werd appellant recht toegekend op schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de ten onrechte niet ontvangen bijstand. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.