ECLI:NL:CRVB:2025:465
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering ZW- en WIA-uitkering directeur-grootaandeelhouder
Appellant, benoemd tot directeur van een besloten vennootschap en tevens vereffenaar van de nalatenschap waarin aandelen waren ondergebracht, ontving ZW- en WIA-uitkeringen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) concludeerde na onderzoek dat appellant als directeur-grootaandeelhouder niet verplicht verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. Daarom werden zijn uitkeringen ingetrokken en teruggevorderd.
Appellant voerde aan dat hij geen directeur-grootaandeelhouder was en dat de terugvordering onzorgvuldig en onterecht met terugwerkende kracht plaatsvond. Ook stelde hij dat er dringende redenen waren om van intrekking en terugvordering af te zien. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de besluiten van het Uwv.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat appellant, samen met zijn nicht, meer dan tweederde van de stemrechten bezat en daarmee over zijn ontslag kon besluiten, wat voldoet aan de definitie van directeur-grootaandeelhouder volgens de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016. De Raad oordeelde dat het Uwv voldoende onderzoek had gedaan en dat er geen dringende redenen waren om af te zien van intrekking en terugvordering. De financiële gevolgen voor appellant waren niet ontoelaatbaar, en de terugvordering was reeds voldaan. Het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de ZW- en WIA-uitkering van appellant worden bevestigd.