ECLI:NL:CRVB:2025:484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vermogen bij intrekking en terugvordering van bijstand wegens auto’s en verzekeringsuitkering
Appellanten ontvingen bijstand en hadden bezwaar tegen het besluit van het college om hun bijstand in te trekken en terug te vorderen vanwege vermeend te veel vermogen. Het college rekende de waarde van twee auto’s op naam van appellante en een verzekeringsuitkering op haar bankrekening tot hun vermogen.
Appellanten stelden dat de auto’s en het verzekeringsgeld toebehoorden aan hun meerderjarige zoon en dat zij er daarom niet over konden beschikken. De Raad oordeelde dat appellanten onvoldoende aannemelijk maakten dat de auto’s en de contante betalingen voor de auto’s van de zoon afkomstig waren. Ook was het feit dat de verzekeringsuitkering op de bankrekening van appellante stond en zij het geld overmaakte naar haar spaarrekening een aanwijzing dat zij over het bedrag kon beschikken.
De rechtbank had de besluiten van het college grotendeels in stand gelaten en de Raad bevestigde dit oordeel. Het hoger beroep slaagde niet, waardoor de intrekking, terugvordering en afwijzing van de nieuwe bijstandsaanvraag gehandhaafd bleven. Appellanten kregen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de besluiten tot intrekking, terugvordering en afwijzing van bijstand blijven in stand.