Appellante, geboren in 1951 en bekend met fysieke en ernstige psychische aandoeningen, verzocht herhaaldelijk om een vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto. Het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden weigerde deze voorziening steeds en verstrekte in plaats daarvan een financiële tegemoetkoming en later een persoonsgebonden budget (pgb).
Na een heronderzoek in 2021 weigerde het college opnieuw een vervoersvoorziening toe te kennen, omdat appellante zelf kan voorzien in haar vervoersbehoefte via een auto uit haar sociale netwerk. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het college de vervoersbehoefte voldoende heeft onderzocht en dat de kosten als algemeen gebruikelijk kunnen worden aangemerkt.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college het stappenplan uit 2010 had moeten volgen, maatwerk had moeten leveren, haar financiële situatie had moeten betrekken en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden. De Raad oordeelde dat appellante geen wezenlijk nieuwe gronden had aangevoerd en onderschreef het oordeel van de rechtbank.
De Raad concludeerde dat appellante in de periode november 2021 tot en met januari 2022, mede door gebruik van een auto van haar zoon, in staat was haar vervoersbehoefte te voorzien. Hierdoor was geen aanleiding voor het verstrekken van een vervoersvoorziening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.