ECLI:NL:CRVB:2025:531
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na beoordeling medische en arbeidskundige beperkingen
Appellante werkte als huishoudelijk medewerkster en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze per 21 januari 2020 na een medische en arbeidskundige beoordeling die stelde dat zij passende functies kon verrichten waarin zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen.
Appellante maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het besluit van het UWV bevestigde. Zij voerde aan dat haar beperkingen werden onderschat en bracht een nieuw medisch rapport in. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, inclusief lichamelijk onderzoek door een verzekeringsarts en aanvullende informatie van behandelaars.
De Raad stelt vast dat de beperkingen aan handen en schouders adequaat zijn beoordeeld en dat het nieuwe rapport onvoldoende overtuigend is om het eerdere oordeel te wijzigen. Ook de arbeidskundige beoordeling dat appellante geschikte functies kan verrichten blijft onbetwist. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de beëindiging van de ZW-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering van appellante wordt bevestigd omdat zij in staat is passende functies te verrichten waarin zij meer dan 65% van haar loon kan verdienen.