ECLI:NL:CRVB:2025:546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding met biologische vader
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en werd onderzocht naar aanleiding van een anonieme melding over samenwoning met X, de biologische vader van haar jongste kind. Het college stelde vast dat zij een gezamenlijke huishouding voerden en trok de bijstand met terugwerkende kracht in, inclusief terugvordering van €3.136,70.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding niet van toepassing zou zijn omdat X het kind niet heeft erkend.
De Raad oordeelt dat het onweerlegbare rechtsvermoeden geldt bij geboorte van een kind uit een relatie, ongeacht erkenning. Het hoger beroep faalt, de intrekking en terugvordering blijven gehandhaafd en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand blijven gehandhaafd.