ECLI:NL:CRVB:2025:561
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning ZW-uitkering zonder korting wegens onverwijtbare weigering arbeidsovereenkomst
Appellant was werkzaam bij een werkgever met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en meldde zich ziek. De werkgever bood een contractverlenging aan voor minder uren, maar appellant weigerde dit vanwege zijn verslechterde gezondheid na complicaties van een operatie.
Het UWV legde een maatregel op door de ZW-uitkering te verlagen, omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn door het weigeren van het aanbod. De rechtbank handhaafde deze maatregel, stellende dat appellant de financiële verantwoordelijkheid onterecht bij het UWV legde.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat onvoldoende is onderzocht of de werkgever op de hoogte was van de ernst van de gezondheidssituatie bij het doen van het aanbod. Appellant was medisch niet in staat te werken en kon de verlenging niet aanvaarden zonder verwijt.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en het besluit op bezwaar, herroept de maatregel en bepaalt dat appellant recht heeft op een ZW-uitkering zonder korting vanaf 1 juni 2022. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Appellant krijgt recht op een ZW-uitkering zonder korting vanaf 1 juni 2022 wegens onverwijtbare weigering van de arbeidsovereenkomst.