ECLI:NL:CRVB:2025:63
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering en schadevergoeding wegens niet opleggen ziekengeldsanctie
Appellante was sinds 2006 in dienst bij haar ex-werkgever en meldde zich in 2018 ziek na een val. Na beëindiging van het dienstverband en een nieuwe ziekmelding in 2019 werd zij door het UWV als minder dan 35% arbeidsongeschikt beoordeeld, waardoor haar WIA-uitkering werd geweigerd vanaf 14 januari 2020. Het UWV legde geen ziekengeldsanctie op aan de ex-werkgever, wat later als onrechtmatig werd erkend.
Appellante vorderde schadevergoeding wegens het niet opleggen van deze sanctie en wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het UWV kende reeds diverse schadevergoedingen toe, waaronder loonderving en vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn, totaal € 24.913,-. De rechtbank wees aanvullende schadevergoedingen af wegens onvoldoende onderbouwing en speculatie over gemiste re-integratieactiviteiten en immateriële schade.
In hoger beroep voerde appellante aan dat een inhoudelijke toets van de re-integratieverplichtingen (RIV-toets) ontbrak en dat het UWV aansprakelijk is voor een gebrekkig deskundigenoordeel. De Raad oordeelt dat de RIV-toets niet meer aan de orde is omdat de wachttijd was verstreken en bevestigt dat de reeds toegekende schadevergoeding toereikend is. Het verzoek om aanvullende schadevergoeding en immateriële schadevergoeding wordt afgewezen. De redelijke termijn is met negen maanden overschreden, maar appellante heeft hiervoor reeds een vergoeding ontvangen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering en wijst het verzoek om aanvullende schadevergoeding af.