ECLI:NL:CRVB:2013:BY8075
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Weigering oplegging loonsanctie na afloop wachttijd WIA
Appellant was sinds 2003 werkzaam als eerste monteur/loodgieter en meldde zich in 2008 arbeidsongeschikt vanwege nek-, schouder- en armklachten. Na een WIA-aanvraag in december 2009 beoordeelde het UWV de re-integratie-inspanningen van de werkgever als voldoende en startte de WIA-uitkeringsprocedure.
Het UWV kende appellant aanvankelijk geen WGA-uitkering toe omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn, maar herzag dit besluit later en kende met ingang van 10 maart 2010 alsnog een WGA-uitkering toe. Het UWV legde echter geen loonsanctie op aan de werkgever omdat de aanvraag daartoe pas na afloop van de wettelijke wachttijd van 104 weken was ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende waren en dat het UWV terecht geen loonsanctie oplegde. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, stellende dat het UWV op grond van artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA uiterlijk zes weken voor afloop van de wachttijd een beschikking moet geven, waardoor na afloop van de wachttijd geen loonsanctie meer kan worden opgelegd.
De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af en bevestigde de aangevallen uitspraak, waarmee het hoger beroep van appellant werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV mocht terecht geen loonsanctie opleggen na afloop van de wachttijd.