Appellant, zonder vaste woon- of verblijfplaats, ontving twee voorschotten op grond van de Participatiewet, tezamen € 1.537,28. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam vorderde deze terug omdat appellant geen recht op bijstand had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar liet een belangrijke beroepsgrond van appellant over het evenredigheidsbeginsel onbesproken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat deze onvolledige motivering in strijd is met de Awb, maar vult de beoordeling aan. De Raad stelt vast dat het college bevoegd was tot terugvordering en dat het college zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, ondanks de complexiteit door de dakloze situatie van appellant.
De Raad beoordeelt het beroep op het evenredigheidsbeginsel en concludeert dat de nadelige gevolgen van de terugvordering niet onevenredig zijn ten opzichte van de doelen van het besluit. Het college heeft terecht een belangenafweging gemaakt, waarbij het uitgangspunt is dat bijstand een vangnetvoorziening is voor hen die er recht op hebben.
Appellant krijgt een proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht terug. De terugvordering blijft in stand, waarmee het hoger beroep wordt afgewezen.