Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.Verder had appellante de doelgroepverklaring kunnen gebruiken bij een opvolgende werkgever. Bovendien is haar procesbelang gelegen in een eventuele proceskostenveroordeling.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die aanvankelijk als fysiotherapeut en later als tandartsassistente werkte, viel in januari 2016 uit wegens gezondheidsklachten. Na het einde van haar arbeidsovereenkomst en het doorlopen van de wachttijd, weigerde het Uwv haar een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Later kreeg zij tijdelijk een WIA-uitkering toegekend wegens volledige arbeidsongeschiktheid.
In april 2020 trad appellante in dienst bij een thuiszorgorganisatie, waarna een aanvraag voor een doelgroepverklaring loonkostenvoordeel werd ingediend. Het Uwv weigerde deze verklaring, omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 2.6 van de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze niet-ontvankelijkverklaring, oordeelt dat appellante wel procesbelang heeft, maar verklaart het beroep inhoudelijk ongegrond. De Raad stelt vast dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor de doelgroepverklaring, ook al was er een onjuiste datum gehanteerd door het Uwv. Daarnaast wijst de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens de weigering af, maar kent wel een vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €1.000,- en het Uwv tot vergoeding van proceskosten van €1.814,-.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de doelgroepverklaring wordt ongegrond verklaard, maar de niet-ontvankelijkverklaring wordt vernietigd; de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.