ECLI:NL:CRVB:2025:748
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep herstelt onvoldoende onderbouwing UWV bij vaststelling arbeidsongeschiktheid
Appellante, die sinds 2007 psychische klachten heeft en meerdere WGA-uitkeringen ontvangt, betwist de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheid per 1 juli 2022 door het UWV op 36,66%. Ze stelt dat haar medische beperkingen groter zijn dan aangenomen en dat de geselecteerde functies niet passend zijn vanwege een behoefte aan een niet sterk-hiërarchische werkomgeving met eigen regie.
De rechtbank handhaafde het UWV-besluit, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen en functies adequaat waren beoordeeld. Appellante bracht in hoger beroep een aanvullend medisch rapport in dat haar beperkingen bevestigt, met name ten aanzien van borderline kenmerken en de noodzaak van bewegingsvrijheid.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat het UWV de belastbaarheid en de geschiktheid van functies onvoldoende heeft onderbouwd en gemotiveerd, vooral met betrekking tot het werken in een hiërarchische omgeving. De Raad draagt het UWV op binnen acht weken het gebrek in het besluit te herstellen, waarmee het oordeel van de rechtbank wordt vernietigd.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het gebrek in het besluit over de arbeidsongeschiktheid van appellante te herstellen binnen acht weken.