Appellante, werkzaam bij de politie sinds 1987 en laatstelijk als docent B, verzocht om rectificatie van haar aanstellingsuren van 28,5 naar 38 uur per week met ingang van 1 januari 2013. Dit verzoek was gebaseerd op een besluit van 28 januari 2013 waarin een aanstellingsomvang van 38 uur was vermeld. De korpschef wees dit verzoek af en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het besluit van 28 januari 2013 een bulkbesluit was waarin een tijdelijke uitbreiding naar 38 uur als vaste aanstelling werd vermeld, wat een kennelijke fout betreft. Appellante mocht niet uitgaan van de juistheid van deze urenomvang, temeer daar zij meerdere malen tijdelijke uitbreidingsverzoeken indiende en pas in 2017 een structurele uitbreiding verzocht, die werd afgewezen.
De Raad stelt vast dat de korpschef het verzoek inhoudelijk heeft beoordeeld en dat er geen aanwijzingen zijn dat de korpschef formulieren heeft gewijzigd of dat dit relevant zou zijn geweest. Verder is vastgesteld dat appellante vanaf februari 2018 weer 28,5 uur per week werkte en dat financiële gevolgen hiervan geen grond vormen voor rectificatie. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellante krijgt geen vergoeding van griffierecht.