Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:774

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 mei 2025
Publicatiedatum
20 mei 2025
Zaaknummer
23/1755 POL
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek rectificatie aanstellingsuren politie met terugwerkende kracht

Appellante, werkzaam bij de politie sinds 1987 en laatstelijk als docent B, verzocht om rectificatie van haar aanstellingsuren van 28,5 naar 38 uur per week met ingang van 1 januari 2013. Dit verzoek was gebaseerd op een besluit van 28 januari 2013 waarin een aanstellingsomvang van 38 uur was vermeld. De korpschef wees dit verzoek af en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het besluit van 28 januari 2013 een bulkbesluit was waarin een tijdelijke uitbreiding naar 38 uur als vaste aanstelling werd vermeld, wat een kennelijke fout betreft. Appellante mocht niet uitgaan van de juistheid van deze urenomvang, temeer daar zij meerdere malen tijdelijke uitbreidingsverzoeken indiende en pas in 2017 een structurele uitbreiding verzocht, die werd afgewezen.

De Raad stelt vast dat de korpschef het verzoek inhoudelijk heeft beoordeeld en dat er geen aanwijzingen zijn dat de korpschef formulieren heeft gewijzigd of dat dit relevant zou zijn geweest. Verder is vastgesteld dat appellante vanaf februari 2018 weer 28,5 uur per week werkte en dat financiële gevolgen hiervan geen grond vormen voor rectificatie. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellante krijgt geen vergoeding van griffierecht.

Uitkomst: Het verzoek tot rectificatie van de aanstellingsuren van 28,5 naar 38 uur per week met terugwerkende kracht wordt afgewezen.

Uitspraak

23/1755 POL
Datum uitspraak: 15 mei 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 mei 2023, 22/2099 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de korpschef van politie (korpschef)
SAMENVATTING
In deze uitspraak beoordeelt de Raad of de afwijzing van het verzoek van appellante om rectificatie van haar aanstellingsuren van 28,5 uur naar 38 uur per week met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2013 terecht is afgewezen. Volgens de Raad is dit het geval.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 april 2025. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is vanaf 1987 werkzaam geweest bij de politie, laatstelijk als docent B. Met ingang van 1 juli 2011 bedroeg de betrekkingsomvang van appellante 28,5 uur per week. Vervolgens zijn een aantal besluiten genomen over de omvang van de aanstelling van appellante. Deze besluiten zien op tijdvakken gelegen in de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 januari 2018.
1.2.
Met een besluit van 14 december 2017 heeft de korpschef het verzoek van appellante om structurele uitbereiding van de arbeidsduur naar 38 uur per week afgewezen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met een brief van 5 juni 2018 heeft de korpschef bevestigd dat het besluit van 14 december 2017 en het daartegen gemaakte bezwaar zijn ingetrokken. In die brief is tevens aangegeven dat de arbeidsduur gehandhaafd blijft op 28,5 uur per week.
1.3.
Appellante heeft op 15 september 2021 rectificatie gevraagd van haar betrekkingsomvang van 28,5 uur naar 38 uur per week met ingang van 1 januari 2013
.Volgens appellante blijkt uit het besluit van 28 januari 2013 dat zij vanaf 1 januari 2013 een vaste aanstelling heeft met een betrekkingsomvang van 38 uur per week.
1.4.
Met een besluit van 17 januari 2022 heeft de korpschef deze aanvraag afgewezen
.Dit besluit is met een beslissing op bezwaar van 29 april 2022 (bestreden besluit) gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.2.
De korpschef heeft in het bestreden besluit de beoordeling van het verzoek niet beperkt tot de vraag of appellante heeft aangetoond dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden
,maar het verzoek in zijn geheel beoordeeld en op inhoudelijke gronden afgewezen. Daarom zal de Raad, net als de rechtbank, het bestreden besluit inhoudelijk beoordelen en toetsen aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden.
4.3.
Het rectificatieverzoek van appellante is gebaseerd op een besluit van 28 januari 2013. Dit besluit was een zogenoemd bulkbesluit, dat is genomen bij de invoering van de nieuwe Politiewet. In dit bulkbesluit is de feitelijke betrekkingsomvang van appellante op dat moment, namelijk een tijdelijke uitbreiding naar 38 uur, opgenomen alsof het de vaste aanstellingsuren van appellante waren. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante niet mocht uitgaan van de juistheid van deze aanstellingsomvang en dat het haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat de in het besluit van 28 januari 2013 genoemde urenomvang een kennelijke fout betrof. Appellante heeft immers na dat besluit meerdere keren verzocht om een tijdelijke urenuitbreiding en op die verzoeken zijn besluiten gevolgd waarbij de aanstellingsomvang steeds tijdelijk is uitgebreid naar 38 uur per week. In december 2017 heeft appellante verzocht om een structurele urenuitbreiding naar 38 uur per week. Uit deze verzoeken blijkt dat bij appellante niet de verwachting was gewekt dat zij vanaf 1 januari 2013 een aanstelling van 38 uur per week had. De korpschef heeft dan ook aan de in het besluit van 28 januari 2013 onjuist vermelde omvang van de aanstellingsuren geen aanleiding hoeven zien om appellante vanaf die datum alsnog een aanstellingsomvang van 38 uur per week toe te kennen.
4.4.
Ten aanzien van het standpunt van appellante dat de korpschef achteraf wijzigingen heeft aangebracht op de formulieren ‘aanpassing aanstellingsomvang’, in die zin dat haar verzoek om een structurele urenuitbreiding is gewijzigd naar een tijdelijke urenuitbreiding, is de Raad van oordeel dat daarvan niet is gebleken en dat dit overigens voor de beoordeling ook niet relevant zou zijn geweest. Ook acht de Raad niet relevant of er, zoals gesteld door appellante, maar één formulier bestond voor het aanvragen van zowel een tijdelijke als een structurele urenuitbreiding. De korpschef heeft immers op de aanvragen van appellante beslist en zij heeft tegen deze besluiten bezwaar kunnen maken.
4.5.
Verder staat vast dat appellante vanaf 1 februari 2018 weer in haar formele betrekkingsomvang van 28,5 uur per week gewerkt heeft. Doordat zij niet langer voor 38 uur per week werkzaam was is haar inkomen gedaald. Hoewel dit financiële gevolgen heeft gehad voor appellante, mede omdat zij met ingang van 1 september 2020 arbeidsongeschikt is geraakt, maakt dit niet dat de korpschef alsnog gehouden is om de aanstellingsomvang vanaf 1 januari 2013 vast te stellen op 38 uur per week. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen valt geen rechtsregel aan te wijzen op grond waarvan de korpschef vanwege de (eerdere tijdelijke) feitelijke omvang en de duur van de werkzaamheden van appellante toch gehouden zou zijn om haar aanstellingsomvang vanaf 1 januari 2013 vast te stellen op 38 uur per week.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5.2.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en L.M. Tobé en J.J.T van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
(getekend) H. Lagas
(getekend) M. Dafir