ECLI:NL:CRVB:2025:776
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling AOW-pensioen op 10% wegens toepassing Duitse socialezekerheidswetgeving
Appellant, geboren en woonachtig in Duitsland, werkte van 1991 tot 1995 in Nederland en ontving vanaf 16 juli 1996 een WAO-uitkering. Na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd per 25 juni 2022 vroeg hij AOW-pensioen aan, dat door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd vastgesteld op 10% van het maximale pensioen. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar de Svb handhaafde haar besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant niet verzekerd was voor de AOW in de periode van 16 juli 1996 tot 25 juni 2022, omdat op grond van EU-regels de Duitse socialezekerheidswetgeving van toepassing was.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vult de motivering van de rechtbank aan door expliciet te verwijzen naar de relevante EU-verordeningen (Vo 1408/71 en Vo 883/2004) die bepalen dat iemand die niet meer onder de wetgeving van een lidstaat valt, onder de wetgeving van de woonstaat valt. Appellant woonde in Duitsland en viel daarom onder de Duitse wetgeving. Verder was hij niet verzekerd voor de Nederlandse AOW omdat hij naast de WAO-uitkering ook een Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, waardoor hij volgens de Nederlandse regelgeving niet verzekerd was.
De Raad wijst ook op het vervallen van de mogelijkheid om verzekerd te blijven op basis van een WAO-uitkering vanaf 1 januari 2000. De financiële situatie van appellant vormt geen grond om af te wijken van de wettelijke regels. Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van het AOW-pensioen op 10% blijft gehandhaafd. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van het AOW-pensioen op 10% blijft gehandhaafd.