In deze zaak gaat het om de eigen bijdrage die appellant moet betalen op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Appellant is van mening dat hij de eigen bijdrage niet hoeft te betalen omdat hij niet of nauwelijks de zorg heeft ontvangen die hij nodig had. De Centrale Raad van Beroep bevestigt echter de uitspraak van de rechtbank Limburg, die het beroep van appellant ongegrond heeft verklaard. De Raad oordeelt dat het Centraal Administratiekantoor (CAK) de eigen bijdrage terecht heeft vastgesteld en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de uitkomst van het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Appellant ontvangt wel een schadevergoeding van € 2.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De Raad concludeert dat de hoogte van de eigen bijdrage voor appellant niet onredelijk bezwarend is, aangezien hij inmiddels zelfstandig woont en geen Wlz-zorg meer ontvangt. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van de schadevergoeding aan appellant.