ECLI:NL:CRVB:2025:91
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek terugkomen op weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe medische feiten
Appellant heeft in 2009 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die in 2010 werd geweigerd omdat hij op en na zijn achttiende verjaardag minder dan 25% arbeidsongeschikt was. In 2022 diende appellant een nieuw verzoek in met medische stukken, waaronder een psychologisch rapport uit 2021, waarin hij stelde dat hij al op zijn zeventiende en achttiende jaar arbeidsongeschikt was.
Het UWV wees het verzoek af, stellende dat er geen nieuwe medische feiten of omstandigheden waren die een herziening van het eerdere besluit rechtvaardigden. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en begrijpelijk was en dat de klachten die appellant nu aanvoerde, zoals PTSS en slaapapneu, pas na de relevante periode waren ontstaan.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV ten onrechte geen rekening had gehouden met medische rapporten uit zijn jeugdige detentieperiode en dat het UWV deze stukken had moeten opvragen. De Raad oordeelde dat het op appellant rustte om zijn verzoek te onderbouwen met relevante stukken en dat het UWV terecht geen aanleiding zag om het besluit te herzien.
De Raad concludeerde dat het UWV zich zorgvuldig en deugdelijk had gemotiveerd en dat het verzoek om terug te komen op het besluit van 2010 terecht was afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de weigering van de Wajong-uitkering in stand bleef.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot weigering van de Wajong-uitkering wordt afgewezen en de weigering blijft in stand.