ECLI:NL:CRVB:2025:954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering en beëindiging ZW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig magazijnmedewerker, meldde zich in augustus 2016 ziek met fysieke en later psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidsdeskundige onderzoeken vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen vanaf 24 augustus 2018. Tevens beëindigde het UWV de Ziektewetuitkering (ZW) per 3 september 2019 en 23 november 2020, omdat geen toename van beperkingen werd vastgesteld.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij ernstiger beperkt was dan door het UWV werd aangenomen, gesteund door een rapport van een onafhankelijke verzekeringsarts. De rechtbank gaf appellant deels gelijk door het UWV te verplichten een aanvullende beperking op te nemen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), maar handhaafde de overige besluiten. Het UWV voegde vervolgens een beperking toe voor verhoogd persoonlijk risico.
De Centrale Raad van Beroep benoemde twee onafhankelijke deskundigen die concludeerden dat de beperkingen passend waren, met uitzondering van een aanvullende toelichting voor het verhoogd persoonlijk risico op 24 augustus 2018. Na nadere beoordeling verwierp de Raad de herziene conclusies van de deskundigen over aanvullende beperkingen, omdat deze niet op recente medische feiten waren gebaseerd.
De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen juist had vastgesteld en dat appellant geschikt was voor de geselecteerde functies. Daarom was de weigering van de WIA-uitkering en de beëindiging van de ZW-uitkering terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken werden bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering en beëindiging van de ZW-uitkering door het UWV worden bevestigd.