ECLI:NL:CRVB:2025:963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afkeuring zorgovereenkomst en toepassing laag pgb-tarief Wlz
Appellant, bekend met een psychiatrische stoornis, ontving sinds 2006 zorg via een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de AWBZ, later voortgezet onder de Wmo 2015 en vanaf 2021 onder de Wlz. Hij sloot een zorgovereenkomst met zijn echtgenote tegen een tarief van €25,50 per uur. Het zorgkantoor keurde deze overeenkomst af omdat appellant als 'nieuwe instromer' in de Wlz valt en daarom het maximale niet-professionele tarief van €21,14 geldt volgens artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg (Rlz).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat appellant niet onafgebroken een pgb op grond van de AWBZ of Wlz heeft ontvangen, omdat hij tussen 2015 en 2020 een pgb op grond van de Wmo 2015 had. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. De uitzonderingsbepaling in artikel 5.22, tweede lid, onder b, Rlz is niet van toepassing omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden, en er is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
De Raad benadrukt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze regeling en dat het verschil in indicaties (GGZ-C versus GGZ-B) ook een onderscheid rechtvaardigt. Het besluit van het zorgkantoor blijft daarom in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De afkeuring van de zorgovereenkomst wordt bevestigd en het lage pgb-tarief van €21,14 blijft van toepassing.