ECLI:NL:CRVB:2025:98
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning bijstand naar kostendelersnorm zonder commerciële huurrelatie
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en betwistte de toepassing van de kostendelersnorm omdat zij meent dat sprake is van een commerciële huurrelatie met haar medebewoner A. Het college had bijstand toegekend met toepassing van de kostendelersnorm vanaf 1 november 2019, omdat het geen commerciële huurrelatie achtte en de huurprijs aanzienlijk lager was dan gemiddeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de huurprijs van €300 per maand wel commercieel is en dat bijstand met terugwerkende kracht vanaf 30 september 2019 moest worden toegekend vanwege bijzondere omstandigheden.
De Raad oordeelde dat het college de bewijslast had om aan te tonen dat geen commerciële huurrelatie bestond en dat het daarin was geslaagd. De huurprijs was 35% lager dan vergelijkbare kamers, inclusief nutsvoorzieningen, en het huurcontract bevatte geen indexering. De aangeleverde advertenties betroffen kleinere kamers of exclusief nutsvoorzieningen, waardoor deze niet vergelijkbaar waren.
Verder verwierp de Raad het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen, omdat appellante de bijzondere omstandigheden niet tijdig had aangevoerd en de eerdere aanvraag buiten behandeling was gesteld zonder bezwaar. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van bijstand naar de kostendelersnorm vanaf 1 november 2019 blijft in stand.