Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid, waarbij zij stelde dat zij leed aan ME/CVS met ernstige beperkingen. Het UWV had dit afgewezen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn, een standpunt dat ook door de rechtbank werd bevestigd. In hoger beroep benoemde de Raad een onafhankelijke deskundige, emeritus hoogleraar Van der Meer, die de wetenschappelijke onderzoeksmethoden van Cardiozorg bevestigde en concludeerde dat de beperkingen van appellante waren onderschat.
De deskundige stelde dat de gebruikte testen, zoals de kanteltafeltest, tweedaagse inspanningstest, vragenlijsten (CIS, SF36) en N-Back Test, valide en geschikt zijn om de beperkingen te objectiveren. Hij concludeerde dat appellante op de datum van 13 juni 2018 een ernstige vorm van ME/CVS had met significante beperkingen die niet juist waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van het UWV.
Het UWV betwistte aanvankelijk de bevindingen, maar nuanceerde zijn standpunt tijdens de zitting. De Raad volgde de deskundige en oordeelde dat het besluit van het UWV niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met artikel 7:12 Awb Pro. De Raad draagt het UWV op het besluit binnen acht weken te herzien, waarbij een grotere urenbeperking moet worden aangenomen en de gevolgen daarvan voor de WIA-uitkering moeten worden herbeoordeeld.
Omdat het geschil hiermee niet definitief is beslecht, werd nog geen uitspraak gedaan over proceskosten of schadevergoeding. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Van der Kris en leden Dompeling en Van der Velde op 17 juli 2025.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV wordt opgedragen dit binnen acht weken te herstellen.