AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bijstandsprocedure
Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag betreffende intrekking, herziening en terugvordering van bijstand. Na een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde verzoeker hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens de procedure werd een schikking getroffen waardoor het hoger beroep werd ingetrokken. Verzoeker vroeg echter nog een uitspraak over de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRMPro.
De Raad overwoog dat de totale duur van de procedure, gerekend vanaf het eerste bezwaar op 30 juli 2021 tot aan de intrekking van het hoger beroep, vier jaar en vijf maanden bedroeg. Dit overschrijdt de redelijke termijn met ruim vijf maanden, waarvoor een vergoeding van €500 passend werd geacht.
Daarnaast werd verzoeker een vergoeding van €467 toegekend voor de kosten die hij heeft moeten maken voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. De overschrijding vond plaats in de rechterlijke fase en komt ten laste van de Staat.
De Raad veroordeelde de Staat der Nederlanden tot betaling van deze bedragen aan verzoeker.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding en €467 proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek tot veroordeling van schade
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 13 januari 2026
Zitting hebben: W.F. Claessens als voorzitter, P.W. van Straalen en C.F.E. van Olden-Smit als leden
Griffier: B.F.C. Wiedenhof
Partijen zijn niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 467,-.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Met een besluit van 14 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) de bijstand van verzoeker vanaf 12 juli 2021 ingetrokken. Met een besluit van 15 juli 2021 heeft het college de bijstand over de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2021 herzien en de tot een hoog bedrag gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 3.132,20 netto van verzoeker teruggevorderd. Met een beluit van 16 juli 2021 heeft het college de terugvordering gebruteerd tot een bedrag van € 4.217,36.
Met een besluit van 13 december 2021 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 14 juli 2021 ongegrond verklaard en de bezwaren tegen de besluiten van 15 juli 2021 en 16 juli 2021 gegrond en de netto terugvordering vastgesteld op € 2.683,09.
Tegen het besluit van 13 december 2021 heeft verzoeker beroep ingesteld. De rechtbank Den Haag heeft dit beroep in een uitspraak van 19 juli 2023, 22/596, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.
Verzoeker heeft de Raad op 9 januari 2026 bericht dat partijen een schikking hebben getroffen en dat hij daarom het hoger beroep intrekt. Dit betekent dat het hoger beroep niet hoeft te worden beoordeeld. Wel wil verzoeker nog een uitspraak van de Raad op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [1] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. [2]
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak. [3]
De procedures over de intrekking, herziening, terugvordering en brutering hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk het recht op bijstand, en zijn gezamenlijk behandeld.
In deze procedures is het eerst aangewende rechtsmiddel het op 30 juli 2021 ontvangen bezwaar tegen het intrekkingsbesluit. Vanaf de ontvangst van dat bezwaarschrift tot aan de datum waarop het hoger beroep is ingetrokken, zijn vier jaar en ruim vijf maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van verzoeker zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim vijf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. De overschrijding heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase en komt daarom ten laste van de Staat.
Verzoeker krijgt van de Staat ook een vergoeding van de kosten die hij heeft moeten maken voor het indienen van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om vergoeding van schade, met een waarde per punt van
€ 934,- en een wegingsfactor van 0,5).
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
3.Zie onder meer de arresten van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, r.o. 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:HR:2016:252, r.o. 3.10.2 en de uitspraak van 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125.