ECLI:NL:CRVB:2026:116

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
24/2617 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.8 Wmo 2015Art. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatwerkvoorziening woningaanpassing wegens niet-medewerking

Appellante had een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening voor woningaanpassing op grond van de Wmo 2015, die door het college van burgemeester en wethouders van Breda was afgewezen. Na eerdere procedures waarbij de Raad het college had opgedragen een nieuw onderzoek te doen naar de hulpvraag, beperkingen en ondersteuningsbehoefte van appellante, verleende appellante geen medewerking aan dit onderzoek.

Het college had appellante meerdere keren schriftelijk uitgenodigd om mee te werken aan het onderzoek, maar ontving geen reactie. Appellante gaf via sms aan alleen in gesprek te willen gaan met mediation. Hierdoor kon het college niet vaststellen welke beperkingen zij ondervindt en hoe deze het beste gecompenseerd kunnen worden.

De Raad oordeelde dat het college terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard vanwege schending van de medewerkingsplicht zoals bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, Wmo 2015. De Raad verwierp de argumenten van appellante dat het onderzoek overbodig was en dat het college haar wilde laten verhuizen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard vanwege het niet verlenen van medewerking aan het noodzakelijke onderzoek, waardoor het besluit tot afwijzing van de woningaanpassing in stand blijft.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda van 4 oktober 2024
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 21 januari 2026

SAMENVATTING

Ter beoordeling ligt voor de vraag of het college het bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2020, waarbij de aanvraag om een maatwerkvoorziening voor een woningaanpassing op grond van de Wmo 2015 is afgewezen, terecht ongegrond heeft verklaard vanwege schending van de medewerkingsplicht.

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 19 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1486, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 mei 2023 vernietigd, het beroep van appellante gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 26 april 2022 vernietigd. Het college is opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van wat in die uitspraak is overwogen. Verder is met toepassing van artikel 8:113, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen een door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Bij besluit van 4 oktober 2024 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van appellante.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en nadere stukken ingezonden.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 november 2025. Appellante is via een videoverbinding verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door L.G.M. Weber-Geboers en L. Hoogesteger.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 19 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1486.
1.1.
In die uitspraak heeft de Raad (onder meer) overwogen dat het college nieuw onderzoek moet doen en achtereenvolgens de hulpvraag, beperkingen en ondersteuningsbehoefte van appellante in kaart moet brengen. Appellante dient hieraan mee te werken, ook wanneer het redelijkerwijs nodig is dat het college een deskundige inschakelt. Het college heeft opdracht gekregen van de Raad een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.
Besluit ter uitvoering van de uitspraak van de Raad
2. Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak van de Raad bij beslissing op bezwaar van 4 oktober 2024 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 juli 2020 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het appellante bij twee aangetekende brieven heeft gevraagd medewerking te verlenen aan het onderzoek en dat het college beide keren geen reactie van appellante heeft ontvangen. In reactie op de haar op 1 oktober 2024 persoonlijk uitgereikte brief waarin haar opnieuw werd gevraagd medewerking te verlenen, heeft appellante volgens het college per sms gesteld dat zij niet meewerkt aan het onderzoek en enkel openstaat voor mediation. Het is volgens het college zonder verder onderzoek onmogelijk om vast te stellen welke beperkingen appellante ondervindt bij haar zelfredzaamheid en participatie. Ook kan niet worden vastgesteld hoe deze beperkingen het beste gecompenseerd kunnen worden. Bij besluit van 18 oktober 2024 heeft het college appellante een dwangsom toegekend van € 532,- omdat het college niet binnen acht weken na de uitspraak van de Raad op het bezwaar heeft beslist.
Het standpunt van appellante
3. Appellante heeft zich tegen het bestreden besluit gekeerd. Appellante heeft – samengevat – verwezen naar de gronden en verzoeken van de voorgaande procedure. Daaraan heeft zij toegevoegd dat in deze zaak de problemen overeenkomen met die in de zaak over de scootmobiel, waardoor het college alles al weet. Volgens appellante vindt het college bovendien dat zij moet verhuizen, waardoor appellante zich afvraagt welke intentie het college heeft om dan überhaupt onderzoek te doen naar de onderhavige woningaanpassing.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of het bestreden besluit in stand kan blijven. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Met de eerdere uitspraak van de Raad staat vast dat nieuw onderzoek naar de hulpvraag, beperkingen en ondersteuningsbehoefte van appellante noodzakelijk is.
4.3.
De Raad volgt het college in het standpunt dat appellante aan dit onderzoek geen medewerking heeft verleend in de zin van artikel 2.3.8, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college heeft inzichtelijk gemotiveerd op welke wijze appellante is uitgenodigd mee te werken aan het onderzoek naar haar hulpvraag, beperkingen en ondersteuningsbehoefte. Het college heeft appellante bij aangetekende brieven van 20 augustus 2024 en 27 augustus 2024 uitgenodigd voor een onderzoek, daarbij diverse data aangeboden en appellante gevraagd voor een bepaalde datum te reageren. Volgens het college heeft appellante niet gereageerd op deze brieven. Het college heeft appellante vervolgens in een brief van 1 oktober 2024 nogmaals uitgenodigd. Vaststaat dat appellante op 2 oktober 2024 per sms heeft gereageerd met de mededeling dat zij niet in gesprek gaat met het college zonder een mediator. Het college heeft op goede gronden geconcludeerd dat appellante geen medewerking heeft verleend en dat deze medewerking redelijkerwijs noodzakelijk was ter uitvoering van de wet.
4.4.
De verwijzing naar wat appellante in de voorgaande procedure heeft aangevoerd slaagt niet, omdat het in die procedure ging om een andere rechtsvraag, namelijk of het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. De gronden van appellante waren dus ook daartegen gericht. Het college is bij het thans bestreden besluit ervan uitgegaan dat het bezwaar ontvankelijk is. De rechtsvraag die nu moet worden beantwoord is of het college het bezwaar terecht ongegrond verklaard heeft vanwege het niet meewerken aan het onderzoek. Gronden gericht tegen de niet-ontvankelijkheid zijn dan niet meer relevant.
4.5.
Volgens appellante geeft het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het door haar overgelegde besluit van 10 april 2024 – waarin haar bezwaar tegen een besluit tot verstrekking van een scootmobiel ongegrond is verklaard – voldoende informatie over haar beperkingen en ondersteuningsbehoefte. De Raad begrijpt deze grond zo dat appellante meent dat daarom nader onderzoek naar de onderhavige woonvoorziening niet noodzakelijk is. De Raad volgt appellante daarin niet. Nog daargelaten dat het besluit van 10 april 2024 betrekking heeft op een vervoersvoorziening en het bestreden besluit op een woonvoorziening, kan de Raad uit het door appellante overgelegde besluit van 10 april 2024 niet afleiden dat in het onderzoek dat daaraan ten grondslag heeft gelegen ook aandacht is besteed aan de beperkingen van appellante op woongebied.
4.6.
Appellante heeft aangevoerd dat een nader onderzoek naar de woonvoorziening zinloos is omdat het college van mening is dat appellante moet verhuizen. Dat het college deze mening zou zijn toegedaan blijkt noch uit het bestreden besluit, noch uit het besluit van 10 april 2024. In het besluit van 10 april 2024 staat alleen dat indien appellante niet wil verhuizen in verband met de bergingsproblematiek van de scootmobiel, dat haar keuze is. Dat wil echter niet zeggen dat als appellante besluit om niet te verhuizen het college dan niet wil voorzien in de benodigde woonvoorziening. Het college heeft ter zitting bevestigd dat bij de huidige stand van zaken geen verplichting tot verhuizen bestaat voor appellante en dat op dit moment onduidelijk is of in de toekomst een dergelijke verplichting wel zal worden opgelegd.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep slaagt dus niet. Dit betekent dat het besluit van 4 oktober 2024 in stand blijft.
5.2.
Omdat het beroep niet slaagt krijgt appellante het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en B. Serno en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.8
(…)
3. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.