Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:135

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
24/23 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 PWArt. 32 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde inkomsten uit vermogen

In deze zaak gaat het om de herziening en terugvordering van bijstand die appellant ontving over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2022. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft deze herziening en terugvordering gehandhaafd na bezwaar met een besluit van 16 december 2022. De grondslag hiervoor is dat appellant jaarlijks rentebetalingen ontving van zijn moeder, gebaseerd op notariële schulderkenningen uit vrijgevigheid, die geen gift maar verplichte betalingen zijn.

De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat de rentebetalingen inkomsten uit vermogen zijn zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet, omdat zij gekoppeld zijn aan een niet-opeisbare vordering op zijn moeder. De vrijlating van vermogen geldt niet omdat appellant niet over dit vermogen kan beschikken. Het kabinetsvoornemen om soepeler om te gaan met terugvorderingen is slechts een voornemen en geen wet, zodat het college hier niet op hoefde te anticiperen.

In hoger beroep heeft appellant dezelfde gronden aangevoerd, namelijk dat de rente gelijkgesteld moet worden met rente op vrij te laten vermogen en dat de terugvordering beperkt moet worden tot vijf jaar vanwege het kabinetsvoornemen. De Raad stelt vast dat dit een letterlijke herhaling is van eerdere gronden en dat appellant geen nieuwe argumenten heeft gegeven waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn. De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en bevestigt de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde inkomsten uit vermogen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer

24.23 PW-PV

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 november 2023, 23/491 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Zitting heeft: W.F. Claessens
Griffier: F.M. Gerritsen
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 20 januari 2026. Partijen zijn niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de herziening en terugvordering van de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2022. Het college heeft deze herziening en terugvordering na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 december 2022 (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit heeft het college, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant ontving jaarlijks een rentebetaling van zijn moeder. De notariële akten waarin dat is geregeld zijn zogeheten schulderkenningen uit vrijgevigheid. De jaarlijkse rentebetalingen zijn dus krachtens de notariële aktes verplichte betalingen, die geen vrijgevig karakter hebben en dus niet als gift zijn aan te merken. Omdat de rentebetalingen gekoppeld zijn aan een deel van het vermogen van appellant, te weten een niet-opeisbare vordering van zijn moeder, is sprake van inkomsten uit vermogen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Door geen melding te maken van deze inkomsten, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
De rentebetaling die appellant jaarlijks van zijn moeder ontving was een verplichte betaling, omdat die was gebaseerd op notariële akten. Deze rentebetaling is gekoppeld aan een deel van het vermogen van appellant, namelijk de niet-opeisbare vordering op zijn moeder, zodat sprake is van inkomsten uit vermogen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW. De vrijlating van het vermogen geldt niet omdat het daarbij alleen gaat over vermogen waarover appellant beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dat is hier niet het geval. De rentebetalingen vallen dan ook niet onder de uitzondering van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de PW. Dit vindt steun in rechtspraak van de Raad. [1] Appellant kan geen geslaagd beroep doen op het kabinetsvoornemen om soepeler om te gaan met terugvorderingen van onterecht betaalde bijstandsuitkeringen, nu dit slechts een voornemen is en geen wet. Het college hoefde hier niet op te anticiperen.
In hoger beroep heeft appellant net als in beroep de volgende twee gronden aangevoerd. De rente over de niet opeisbare vordering op zijn moeder moet gelijk worden gesteld met rente die een bijstandsontvanger ontvangt over zijn vermogen dat hij zelf heeft. Dit moet dus worden aangemerkt als (vrij te laten) rente op vermogen. Gelet op het kabinetsvoornemen om soepeler om te gaan met terugvorderingen van onterecht betaalde uitkeringen, zoals een bijstandsuitkering, moeten de herziening en terugvordering worden beperkt tot vijf jaar.
Wat appellant aanvoert is een letterlijke herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering in stand blijven.
Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) F.M. Gerritsen (getekend) W.F. Claessens

Voetnoten

1.Uitspraken van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1160, en van 5 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:787.