ECLI:NL:CRVB:2026:135
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde inkomsten uit vermogen
In deze zaak gaat het om de herziening en terugvordering van bijstand die appellant ontving over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2022. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft deze herziening en terugvordering gehandhaafd na bezwaar met een besluit van 16 december 2022. De grondslag hiervoor is dat appellant jaarlijks rentebetalingen ontving van zijn moeder, gebaseerd op notariële schulderkenningen uit vrijgevigheid, die geen gift maar verplichte betalingen zijn.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat de rentebetalingen inkomsten uit vermogen zijn zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet, omdat zij gekoppeld zijn aan een niet-opeisbare vordering op zijn moeder. De vrijlating van vermogen geldt niet omdat appellant niet over dit vermogen kan beschikken. Het kabinetsvoornemen om soepeler om te gaan met terugvorderingen is slechts een voornemen en geen wet, zodat het college hier niet op hoefde te anticiperen.
In hoger beroep heeft appellant dezelfde gronden aangevoerd, namelijk dat de rente gelijkgesteld moet worden met rente op vrij te laten vermogen en dat de terugvordering beperkt moet worden tot vijf jaar vanwege het kabinetsvoornemen. De Raad stelt vast dat dit een letterlijke herhaling is van eerdere gronden en dat appellant geen nieuwe argumenten heeft gegeven waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn. De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en bevestigt de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde inkomsten uit vermogen.