ECLI:NL:CRVB:2026:15
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na erfenis zonder geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel
Appellant ontving bijstand sinds 2007 en erfde in 2018 een aandeel van €54.112,55 na de verkoop van de ouderlijke woning. Het college vorderde kosten van bijstand terug over de periode 2018-2021, gebaseerd op het feit dat appellant over de erfenis beschikte.
Appellant stelde dat het terugvorderingsbedrag onjuist was berekend, onder meer omdat het college een lager bedrag als uitgangspunt had toegezegd en omdat de verkoopkosten van de woning nog in mindering moesten worden gebracht op zijn erfdeel. Ook voerde hij aan dat een immateriële schadevergoeding ten onrechte niet was meegewogen.
De Raad oordeelde dat het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat geen concrete toezeggingen zijn gedaan. De verkoopkosten zijn al van de erfenis afgetrokken voordat het erfdeel werd vastgesteld, en de immateriële schadevergoeding is niet relevant voor de terugvordering. Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering blijft in stand.
Uitkomst: De terugvordering van bijstandskosten na ontvangst van de erfenis wordt bevestigd, het beroep op het vertrouwensbeginsel en aftrek van verkoopkosten faalt.