ECLI:NL:CRVB:2026:15
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Terugvordering van bijstand in verband met erfenis en vertrouwensbeginsel
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De zaak betreft de terugvordering van bijstandsuitkeringen van appellant, die een erfenis heeft ontvangen na het overlijden van zijn moeder. Appellant ontving sinds 18 juli 2007 bijstand op basis van de Participatiewet (PW) en heeft in 2018 aangegeven een erfenis te verwachten. Na de afwikkeling van de erfenis in 2022, heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda een terugvordering van bijstand ingesteld, omdat appellant in de periode van bijstandsverlening aanspraak had op middelen uit de erfenis. Appellant betwistte de hoogte van het terugvorderingsbedrag en voerde aan dat kosten voor het verkoopbaar maken van de ouderlijke woning in mindering moesten worden gebracht op zijn erfdeel. De Raad oordeelde dat deze kosten al van de erfenis waren afgetrokken voordat het erfdeel van appellant werd vastgesteld. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd afgewezen, omdat appellant niet kon aantonen dat er toezeggingen waren gedaan door het college. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waardoor de terugvordering in stand blijft. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.