ECLI:NL:CRVB:2026:155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WIA-uitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontvangt sinds 2013 een WIA-uitkering met 100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde na een melding een onderzoek in, waarbij onder meer informatie van de Belastingdienst en Kamer van Koophandel werd opgevraagd. Uit het onderzoek bleek dat appellant werkzaamheden verrichtte bij diverse ondernemingen zonder dit te melden, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt.
Het UWV herzag daarop de WIA-uitkering over de periode van 1 augustus 2017 tot en met 31 december 2021 en vorderde een bedrag van €48.516,98 bruto terug. Tevens legde het UWV een boete op, die na bezwaar werd verlaagd tot €40,- wegens afwezigheid van aflossingscapaciteit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht uitging van het door de Belastingdienst vastgestelde gebruikelijk loon.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende eigen onderzoek had verricht en dat het gehanteerde inkomen onjuist was. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en bevestigde de herziening, terugvordering en boete. Het hoger beroep werd verworpen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering en de opgelegde boete wegens schending van de inlichtingenplicht.