ECLI:NL:CRVB:2026:158

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
22/253 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang na toekenning IVA-uitkering

In deze zaak heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een WIA-uitkering. Na een tussenuitspraak van de Raad is het UWV tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant en heeft het op 30 oktober 2025 een nieuwe beslissing genomen waarbij aan appellant per 27 juni 2020 een IVA-uitkering is toegekend.

Appellant heeft vervolgens hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing, maar de Raad verklaart dit beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, aangezien het UWV volledig aan de bezwaren tegemoet is gekomen. Appellant heeft zich bovendien akkoord verklaard met de toekenning van de IVA-uitkering.

De Raad beoordeelt ook de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De totale duur van de procedure vanaf het bezwaarschrift tot het tegemoetkomende besluit bedroeg ruim vijf jaar, wat een overschrijding van ruim vijftien maanden betekent. De Raad kent daarom een schadevergoeding toe van € 1.500,-. Daarnaast worden proceskosten toegekend aan appellant en wordt het griffierecht vergoed.

De uitspraak bevestigt dat het ontbreken van procesbelang leidt tot niet-ontvankelijkheid van hoger beroep en benadrukt de toepassing van redelijke termijnen in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na toekenning van een IVA-uitkering.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
22/253 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 december 2021, 20/5996 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 18 februari 2026

SAMENVATTING

De Raad heeft in een tussenuitspraak geoordeeld dat het bestreden besluit gelet op de rapporten van de deskundige verzekeringsarts en de deskundige neuroloog op een ondeugdelijke medische grondslag berust en het Uwv opgedragen dit gebrek te herstellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een gewijzigde FML opgesteld en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geen nieuwe functies kunnen selecteren waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 100%. Vervolgens is een nieuwe (gewijzigde) beslissing op bezwaar genomen. Het beroep tegen die beslissing heeft de Raad niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 3 september 2025 een tussenuitspraak [1] gedaan (tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 30 oktober 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft een zienswijze ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij voegt daar het volgende aan toe.
1.1.
Met het besluit van 30 oktober 2025 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 juni 2020, waarbij het Uwv de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft afgewezen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, gegrond verklaard. Aan appellant is per 27 juni 2020 een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
Bij brief van 17 november 2025 heeft appellant laten weten zich te kunnen vinden in de toekenning van een IVA-uitkering aan hem per 27 juni 2020.

Het oordeel van de Raad

2. Het Uwv is geheel aan de bezwaren van appellant tegemoet gekomen. De kanttekeningen die appellant heeft gemaakt bij de medische beoordeling kunnen niet leiden tot een ander rechtsgevolg. Appellant heeft daarom geen belang meer bij een uitspraak op zijn hoger beroep. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Overschrijding van de redelijke termijn
3. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. De vraag of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van de verzoeker gedurende de gehele procesgang. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 [2] ). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
5. In geval van een tegemoetkomend besluit eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt (zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022 [3] ). In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 30 oktober 2025 aan appellant bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant op 21 juli 2020 tot de datum van het tegemoetkomende besluit van 30 oktober 2025 heeft de procedure vijf jaar en ruim drie maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim vijftien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.500,-.
6. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de Raad van 7 maart 2014 [4] ) wordt in een geval als dit, waarin na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode tussen het instellen van beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.
7. De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 13 november 2020 tot de tussenuitspraak van de Raad van 3 september 2025 heeft vier jaar en bijna tien maanden in beslag genomen. Dit betekent dat het gedeelte dat langer heeft geduurd dan drie en een half jaar tussen het instellen van het beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak, te weten een jaar en vier maanden, voor rekening van de Staat komt.
Proceskosten
8. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep heeft moeten maken.
9. In de beslissing op bezwaar van 30 oktober 2025 heeft het Uwv al een vergoeding toegekend voor verleende rechtsbijstand in bezwaar.
10. De kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de zienswijze na het deskundigenrapport van neuroloog E.M.H. van den Doel en 0,5 punt voor de zienswijze op het gewijzigde besluit op bezwaar, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 4.670,-.
11. Verder is er aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant die betrekking hebben op het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt, wegingsfactor 0,5).
12. Ook wordt bepaald dat het Uwv aan appellant het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.670,-;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.CRvB 3 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1335.
2.CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
3.CRvB 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
4.CRvB 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2978.