ECLI:NL:CRVB:2026:177

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
24/669 ZVW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 EVRMArt. 1 Twaalfde Protocol EVRMArt. 1 GrondwetArt. 3:4 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van verdragsbijdrage Zvw ondanks ontbreken werelddekking voor in Frankrijk wonende verdragsgerechtigde

Betrokkene, woonachtig in Frankrijk en verdragsgerechtigde, maakte bezwaar tegen de hoogte van de verdragsbijdrage Zvw omdat hij geen werelddekking had, in tegenstelling tot in Nederland verzekerden. De Raad heeft de regelgeving exceptief getoetst en beoordeeld of de toepassing in dit concrete geval tot een onevenredig nadelige uitkomst leidt.

De Raad oordeelt dat er geen sprake is van ongeoorloofde gelijke behandeling van ongelijke gevallen. De solidariteit binnen het zorgverzekeringsstelsel rechtvaardigt de gehanteerde berekeningswijze, waarbij rekening wordt gehouden met de woonlandfactor. De bijdrage is lager dan die van in Nederland verzekerden, wat een evenwichtige regeling vormt.

Betrokkene stelde dat hij door het ontbreken van werelddekking wordt gediscrimineerd en dat de nominale premie verlaagd zou moeten worden. De Raad verwierp deze stellingen, onder meer omdat de verlaging verwaarloosbaar zou zijn en het systeem een ruime beoordelingsmarge kent.

De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. De erven van betrokkene krijgen geen vergoeding van proceskosten. De zaak benadrukt het belang van duidelijkheid over de vergoeding van onvoorziene zorgkosten buiten de EU, waarvoor het Hof van Justitie van de EU de aangewezen instantie is.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit over de verdragsbijdrage blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/669 ZVW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 januari 2024, 22/342 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De erven (appellanten) van [betrokkene] te Frankrijk (betrokkene)
Het CAK
Datum uitspraak: 12 februari 2026
SAMENVATTING
Betrokkene is het niet eens met de hoogte van de verdragsbijdrage Zvw omdat hij, anders dan in Nederland verzekerden, geen werelddekking heeft. Omdat de berekeningswijze van de bijdrage dwingend is voorgeschreven, heeft de Raad de regelgeving exceptief getoetst en daarnaast beoordeeld of de toepassing daarvan in het concrete geval tot een onevenredig nadelige uitkomst leidt. De Raad komt tot het oordeel dat geen sprake van ongeoorloofde gelijke behandeling van ongelijke gevallen. Ook is de hoogte van de verdragsbijdrage in het geval van betrokkene niet onevenredig.

PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld. Het CAK heeft een verweerschrift ingediend. Betrokkene heeft desgevraagd nog nadere gegevens aan de Raad verstrekt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2025. Betrokkene is verschenen. Het CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van gegevens die het CAK op verzoek van de Raad heeft opgevraagd bij het Franse orgaan en van een nader door het CAK te nemen besluit.
Op 11 en 24 september 2025 heeft de Raad de stukken van het CAK ontvangen.
Betrokkene is op 10 september 2025 overleden. De echtgenote van betrokkene heeft laten weten een uitspraak te willen en een nadere zitting niet nodig te vinden.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb [1] is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene woonde sinds [datum] 2019 in Frankrijk en ontving een AOW [2] -pensioen.
Met een besluit van 5 februari 2019 heeft het CAK vastgesteld dat betrokkene sinds [datum] 2019 verdragsgerechtigde was. Dit betekent dat hij recht had op zorg in Frankrijk ten laste van Nederland. Hiervoor was hij een verdragsbijdrage verschuldigd die werd ingehouden op zijn AOW-pensioen.
1.2.
Met een besluit van 8 juni 2021 heeft het CAK de definitieve bijdrage over het jaar 2019 vastgesteld op € 2.250,33. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de verdragsbijdrage omdat hij als verdragsgerechtigde die in Frankrijk woonde geen werelddekking had. Het bezwaar tegen dit besluit heeft het CAK bij bestreden besluit van 29 november 2021 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het beroep van betrokkene zich in wezen richt tegen de verzekeringsvoorwaarden, in het bijzonder de uitgebreidheid van de dekking. Volgens de rechtbank ligt dit aspect buiten de omvang van het besluit. Van strijd met het vrij verkeer van personen binnen de EU [3] is volgens de rechtbank geen sprake.
Het standpunt van betrokkene
3.1.
Betrokkene is in beroep en in hoger beroep vooral ingegaan op het feit dat de vergoeding van zijn zorgkosten wordt beperkt tot kosten die gemaakt zijn binnen de EU. Volgens betrokkene is Nederland als pensioenland aangewezen om de zorgkosten die hij buiten de EU maakt, te vergoeden. Hij heeft verwezen naar de aanbeveling van de AC [4] aan de Europese Commissie op parlementaire vragen (E-008827/2013) [5] in een vergelijkbaar geval. Volgens de AC is bij een verdragsgerechtigde het pensioenland verantwoordelijk voor de medische zorg in landen buiten de EU. Aanvragen voor vergoeding van in derde landen verstrekte medische behandelingen moeten volgens de AC door de betrokkene rechtstreeks bij zijn of haar bevoegde orgaan worden ingediend. Nederland heeft echter niets met die aanbeveling gedaan. Volgens betrokkene valt hij daardoor tussen wal en schip. Hij wordt als verdragsgerechtigde gediscrimineerd ten opzichte van ingezetenen in Frankrijk die verzekerd zijn via de basisverzekering van de Caisse Primaire d’Assurance Maladie en een wereldwijde bescherming tegen ziektekosten hebben. Hij wordt ook gediscrimineerd ten opzichte van ingezetenen van Nederland die verzekerd zijn voor de Zvw [6] en op grond van die wet een werelddekking voor hun ziektekosten hebben. Voor dit verschil in behandeling bestaat volgens betrokkene geen objectieve of redelijke rechtvaardiging. Door zijn emigratie binnen Europa is voor hem een slechtere zorgkostenvergoedingsregeling ontstaan dan voor Nederlands ingezetenen; volgens betrokkene is dit in strijd met het vrij verkeer van personen. Voor betrokkene was een werelddekking vooral van belang omdat hij met enige regelmaat zijn zoon bezocht die in Australië woont. Hij kon ook geen reisverzekering met aanvullende werelddekking voor ziektekosten afsluiten.
3.2.
Gelet hierop heeft betrokkene primair verzocht om de verdragsbijdrage te laten vervallen omdat deze niet rechtsgeldig is vastgesteld. Hij betaalt immers evenveel premie als Nederlands ingezetenen die wel een werelddekking hebben. Maar in ieder geval moet volgens betrokkene de nominale premie als grondslag van de berekening van de verdragsbijdrage omlaag vanwege de ontbrekende werelddekking.
Het standpunt van het CAK
3.3.
Het CAK kan zich vinden in de uitspraak van de rechtbank. Volgens het CAK bevindt betrokkene zich niet in een positie die vergelijkbaar is met de positie van inwoners van Nederland die voor de Zvw verzekerd zijn, zodat het beroep op het voorschrift van gelijke behandeling niet kan slagen. Verder is er geen sprake van een overduidelijk ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen ingezetenen en verdragsgerechtigden in Frankrijk. Betrokkene betaalt door de toepassing van de woonlandfactor immers minder dan ingezetenen van Nederland. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet door de wetgever zijn voorzien.
Na de schorsing overgelegde stukken
3.4.
Op 12 mei 2025 heeft het CAK een besluit genomen met betrekking tot het verzoek van betrokkene om vergoeding van de medische kosten die hij had gemaakt in Australië. Dit verzoek is door het CAK afgewezen, omdat de kosten zijn gemaakt in een land waar de regels van de EU niet gelden. Betrokkene heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
3.5.
Op 17 september 2025 heeft het Franse orgaan gereageerd op de vragen die het CAK op verzoek van de Raad heeft gesteld. Uit die reactie blijkt dat een persoon die wettelijk is aangesloten bij het Franse socialezekerheidsstelsel recht heeft op vergoeding van de kosten van gezondheidszorg die wordt ontvangen in landen buiten de EU. De omvang van die vergoeding is afhankelijk van de vraag of Frankrijk met het betreffende land al dan niet een bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft gesloten. Voor gezondheidszorg die is ontvangen in een land zonder bilaterale overeenkomst met Frankrijk wordt de omvang van de vergoeding bepaald door artikel R160-4 van de
Code de la sécurité sociale. Een persoon die niet is aangesloten bij dit Franse wettelijke stelsel kan geen aanspraak maken op rechten uit hoofde van de Franse socialezekerheidswetgeving, met name wanneer de behandeling buiten de EU plaatsvindt.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Betrokkene heeft vooral gronden aangevoerd tegen het feit dat de door hem buiten de EU ontvangen zorg niet wordt vergoed. In dit geding is echter uitsluitend in geschil of het CAK de verdragsbijdrage had moeten verlagen of op nihil stellen omdat betrokkene geen werelddekking heeft.
4.2.
Op grond van artikel 24 van Pro Vo 883/2004 [7] heeft betrokkene recht op zorg in zijn woonland Frankrijk ten laste van pensioenland Nederland. Hij wordt daarom verdragsgerechtigde genoemd. Nederland is, als pensioenland, verantwoordelijk voor de betaling van de zorg die betrokkene op grond van het Franse basispakket in Frankrijk krijgt. Ook kunnen zorgkosten die in andere EU-lidstaten worden gemaakt voor vergoeding in aanmerking komen. [8] Nederland mocht daarom een bijdrage heffen van betrokkene (verdragsbijdrage). Artikel 30 van Pro Vo 883/2004 bepaalt dat de verdragsbijdrage op basis van de nationale wetgeving wordt geheven. Dat een verdragsbijdrage verschuldigd is, is geregeld in artikel 69 Zvw Pro.
4.3.
De hoogte van de verdragsbijdrage wordt geregeld in de Regeling zorgverzekering. De grondslag voor de verdragsbijdrage bestaat uit een nominaal deel, een inkomensafhankelijk deel Zvw en een inkomensafhankelijk deel Wlz. [9] Dit volgt uit artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering. Het nominale deel komt overeen met de gemiddelde premie voor een verzekerde voor een zorgverzekering in Nederland. Deze grondslag van de bijdrage wordt vermenigvuldigd met een factor die de verhouding uitdrukt tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg in het woonland – in dit geval: Frankrijk – en in Nederland (woonlandfactor). Deze woonlandfactor is opgenomen in Bijlage 4 bij de Regeling zorgverzekering.
4.4.
Het betoog van betrokkene komt er, voor zover van belang voor de verdragsbijdrage, met name op neer dat de manier waarop de verdragsbijdrage wordt berekend volgens de Regeling zorgverzekering geen recht doet aan zijn situatie. Anders dan verzekerden voor de Zvw had hij geen werelddekking, terwijl de grondslag van de verdragsbijdrage wel is afgeleid van de premie die in Nederland verzekerden betalen voor een verzekering waarvan de werelddekking deel uitmaakt. Hij betaalt voor iets dat hij niet kan krijgen. Daarom is de heffing van een verdragsbijdrage niet rechtmatig; in ieder geval moet het nominale deel van de grondslag voor de verdragsbijdrage daarom verlaagd worden.
4.5.
De Raad vertaalt het betoog van betrokkene zo dat de toepassing van artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering voor alle verdragsgerechtigden zonder werelddekking tot een onevenwichtige uitkomst leidt. De toepassing van deze bepaling pakte in zijn situatie in het bijzonder onevenredig uit doordat hij de kosten voor onvoorziene zorg in Australië niet vergoed kreeg.
Exceptieve toetsing
4.6.
Over de vraag of artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering, in samenhang met Bijlage 4 daarbij, voor verdragsgerechtigden zonder werelddekking in strijd is met hoger recht, overweegt de Raad als volgt
.
4.6.1.
De Regeling zorgverzekering is een algemeen verbindend voorschrift. Algemeen verbindende voorschriften, die geen wet in formele zin zijn, kunnen worden getoetst op verenigbaarheid met hogere regelgeving, waaronder ook algemene rechtsbeginselen (de exceptieve toets). Voor een recente beschrijving van het door de bestuursrechter aan te leggen toetsingskader verwijst de Raad naar de uitspraak van het CBb (grote kamer) van 26 maart 2024. [10]
Toetsing aan het discriminatieverbod/gelijkheidsbeginsel
4.7.
Betrokkene heeft gesteld dat hij wordt gediscrimineerd. De Raad begrijpt deze grond tegen de achtergrond van het in dit geding voorliggende besluit zo, dat betrokkene meent dat sprake is van een verboden gelijke behandeling van ongelijke gevallen, omdat zijn nominale bijdrage gelijk is aan de gemiddelde premie van in Nederland verzekerden, terwijl hij – anders dan in Nederland verzekerden – geen werelddekking heeft. Deze grond slaagt niet.
4.7.1.
Voor zover betrokkene zich heeft willen beroepen op artikel 14 van Pro het EVRM [11] dan wel artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM, overweegt de Raad als volgt.
4.7.2.
De Raad leidt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over artikel 14 van Pro het EVRM af, dat het niet alleen verboden is gelijksoortige gevallen zonder toereikende rechtvaardigingsgrond ongelijk te behandelen, maar dat ook gelijke behandeling van ongelijke gevallen, waarbij materiële ongelijkheid wordt gecreëerd doordat de ene categorie feitelijk in een ongunstiger positie terecht komt dan de andere categorie, kan leiden tot een schending van artikel 14. Dit is het geval wanneer daarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Indien relevante verschillen bestaan tussen twee categorieën van gevallen en de ene categorie door toepassing van de regel in een ongunstiger situatie komt te verkeren dan de andere, moet worden beoordeeld of met de gelijke behandeling een gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd en of voldaan is aan het vereiste van proportionaliteit.
4.7.3.
De verdragsstaten beschikken over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling of, en in welke mate, verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen en bij de vaststelling of in ongelijksoortige situaties een gelijke behandeling gerechtvaardigd is. De omvang van deze beoordelingsmarge is onder andere afhankelijk van de regelgeving die wordt beoordeeld en van de aard van het gemaakte, of volgens de betrokkene te maken, onderscheid. In dit geval ligt ter beoordeling een maatregel op het terrein van de sociale zekerheid voor. Op dat gebied hebben de verdragsstaten in het algemeen een ruime beoordelingsmarge. Dat is in dit geval niet anders. Het onderscheid dat betrokkene ter discussie stelt is geen verdacht onderscheid, zoals bijvoorbeeld onderscheid op grond van een aangeboren kenmerk wel is. Als bij een regeling op het gebied van sociale zekerheid een niet verdacht onderscheid ter discussie wordt gesteld, dient in het algemeen het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij de keuze van de wetgever van redelijke grond is ontbloot. Dit laatste kan niet snel worden aanvaard.
4.7.4.
In dit geval is geen sprake van een situatie waarin de gelijke behandeling van ongelijke gevallen van iedere redelijke grond is ontbloot. Zoals bij alle sociale verzekeringen speelt solidariteit binnen het ziektekosten- en zorgverzekeringsstelsel van de Zvw en de Wlz een belangrijke rol. Dit komt tot uitdrukking in de premieheffing, die uitsluitend is gedifferentieerd naar draagkracht. Vanwege die solidariteit spelen persoonlijke factoren zoals de individuele behoefte aan zorg bij de vaststelling van de bijdrage geen rol. Het is inherent aan een systeem gebaseerd op solidariteit dat sommigen in de praktijk meer en anderen minder bijdragen in verhouding tot het voor hen geldende “aanbod” en hun gebruik van de voorzieningen van het stelsel. De Raad ziet geen grond waarom het uitgangspunt van solidariteit niet ook zou mogen worden toegepast bij de vaststelling van de hoogte van de verdragsbijdrage.
4.7.5.
In dit verband is mede van belang dat bij de berekening van verdragsbijdragen rekening wordt gehouden met de omvang van de aanspraken die bestaan op grond van het wettelijk stelsel van het woonland. Door de toepassing van de woonlandfactor wordt namelijk een lagere bijdrage gevraagd naarmate de gemiddelde zorgkosten per persoon in het woonland lager zijn dan in Nederland. De Raad is van oordeel dat op die manier in de Regeling zorgverzekering een voldoende evenwicht wordt bewaard tussen het algemeen belang en dat van de verdragsgerechtigden. [12] Dit is niet anders als in het woonland voor verdragsgerechtigden geen werelddekking bestaat. In dit verband merkt de Raad nog op dat het geen gegeven is dat een verplaatsing naar een andere lidstaat op het gebied van de sociale bescherming in een concrete situatie neutraal uitvalt. Dit kan voor de betrokken persoon meer of minder voordelig zijn, rekening houdend met de verschillen tussen de stelsels van de lidstaten op dit gebied. [13]
4.7.6.
In het geval van betrokkene is verder geen sprake van een in aanmerking te nemen disproportionaliteit bij de berekening van de verdragsbijdrage. Hierbij acht de Raad van belang dat ook als in de grondslag voor de verdragsbijdrage rekening zou worden gehouden met het ontbreken van een werelddekking, dit tot een verwaarloosbare verlaging van de verdragsbijdrage zou leiden. Bovendien vereist artikel 14 van Pro het EVRM niet dat zodanig uitgewerkte regelingen worden getroffen dat voor de toepassing van elke afzonderlijke regeling elke onevenwichtigheid in elke denkbare situatie wordt voorkomen.
4.7.7.
De Raad acht artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering, in samenhang met Bijlage 4 daarbij, ten opzichte van verdragsgerechtigden die in het woonland geen werelddekking hebben, dan ook niet in strijd met artikel 14 van Pro het EVRM dan wel artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM, dat voor zover hier relevant een vergelijkbare bescherming biedt.
4.8.
Voor zover betrokkene zich heeft willen beroepen op het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in artikel 1 van Pro de Grondwet, geldt het volgende.
4.8.1.
De Raad ziet geen aanknopingspunten om bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een op grond van artikel 1 van Pro de Grondwet ongeoorloofde gelijke behandeling van ongelijksoortige gevallen een andere dan de in 4.7.2 verwoorde maatstaf aan te leggen. Daarnaast ziet de Raad in dit geval geen aanleiding voor een indringender toetsing aan die bepaling dan de in 4.7.3 verwoorde toetsing aan artikel 14 van Pro het EVRM en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM.
4.8.2.
In dit verband is van belang dat volgens vaste rechtspraak [14] de intensiteit van de rechterlijke beoordeling van een algemeen verbindend voorschrift afhankelijk is van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die beoordeling kan materieel terughoudend zijn als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen betreft, geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindende voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn. Een regeling waarbij wordt vastgesteld in welke situaties onder welke voorwaarden aanspraak ontstaat op een prestatie van sociale zekerheid (in dit geval: welke verdragsbijdrage verschuldigd is voor het uit Vo 883/2004 voortvloeiende verdragsrecht) is bij uitstek voorwerp van een politiek-bestuurlijke afweging als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 18 april 2024. [15] Verder is, zoals ook al in 4.7.6 is opgemerkt, wanneer rekening wordt gehouden met het ontbreken van een werelddekking, slechts een verwaarloosbare verlaging van de verdragsbijdrage in het geding. De Raad kan in dit geval dan ook volstaan met een terughoudende toetsing en oordeelt dat artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering, in samenhang met Bijlage 4 daarbij, voor verdragsgerechtigden zonder werelddekking deze toetsing kan doorstaan.
Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel
4.9.
Voor zover betrokkene zich heeft willen beroepen op het evenredigheidsbeginsel, slaagt ook deze grond niet.
4.9.1.
Bij de toetsing van het algemeen verbindende voorschrift aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb hoeft niet categorisch een “drietrapstoets” op geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid te worden uitgevoerd. De bestuursrechter moet van geval tot geval, in het verlengde van de aangevoerde beroepsgronden, bepalen of en zo ja op welke wijze de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid van het voorschrift als zodanig bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel moeten worden betrokken. [16]
4.9.2.
Gelet op wat betrokkene heeft aangevoerd is hier in het bijzonder de evenwichtigheid van artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering, in samenhang met Bijlage 4 daarbij, voor verdragsgerechtigden zonder werelddekking in het geding. Gelet op wat hiervoor onder 4.7.4 tot en met 4.7.6 is overwogen, kunnen deze bepalingen ook de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan.
Tussenconclusie: voorschriften berekening verdragsbijdrage niet in strijd met hoger recht
4.10.
De Raad concludeert dat artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering, in samenhang met Bijlage 4 daarbij, niet in strijd is met hoger recht voor gevallen waarin de verdragsbijdrage wordt afgeleid van de gemiddelde premie voor een Nederlands verzekerde die wel verzekerd is voor zorgkosten gemaakt buiten de EU.
Rechtstreekse toetsing van het bestreden besluit
4.11.
Betrokkene heeft niets aangevoerd dat erop duidt dat toepassing van de Regeling zorgverzekering in zijn situatie onredelijk bezwarend was. Dat betekent dat het CAK terecht de verdragsbijdrage heeft vastgesteld volgens de voorgeschreven berekening.
Conclusie
4.12.
Nu betrokkene verder niets heeft aangevoerd over de berekening zelf, komt de Raad tot de conclusie dat het CAK de verdragsbijdrage op juiste wijze heeft vastgesteld.
Ten overvloede
4.13.
De echtgenote van betrokkene heeft om een uitspraak in deze zaak gevraagd, omdat dit in het algemeen belang is, met name voor Nederlanders die in Frankrijk wonen. De Raad begrijpt goed dat het ontbreken van een werelddekking waardoor de onvoorziene kosten van zorg in een land buiten de EU niet worden vergoed, zeer bezwarend kan uitpakken voor verdragsgerechtigden. Los van de situatie van betrokkene is het van belang dat er duidelijkheid komt over de vraag of de door een verdragsgerechtigde buiten de EU gemaakte onvoorziene zorgkosten voor vergoeding in aanmerking moeten komen en zo ja, of hiervoor het pensioenland of het woonland verantwoordelijk is. Het Hof van Justitie van de EU is de aangewezen instantie om hierover duidelijkheid te verschaffen. De afwijzing van een dergelijke vergoeding door het CAK ligt in dit geding echter niet voor, zodat voor een prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie door de Raad op dat punt in dit geding geen plaats is.

Conclusie en gevolgen

4.14.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit waarin de verdragsbijdrage voor het zorgjaar 2019 is vastgesteld, in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgen de erven geen vergoeding voor de proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Verordening 883/2004
Artikel 24
Geen recht op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats
1. Degene die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van een of meer lidstaten en geen recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, ontvangt desalniettemin verstrekkingen voor zichzelf en zijn gezinsleden voor zover hij hierop recht zou hebben krachtens de wetgeving van de lidstaat, of van minstens een van de lidstaten die voor zijn pensioenen bevoegd is, indien hij in die lidstaat zou wonen. De verstrekkingen worden voor rekening van het in lid 2 bedoelde orgaan verstrekt door het orgaan van de woonplaats alsof de betrokkene recht had op pensioen en verstrekkingen krachtens de wetgeving van die lidstaat.
2. In de gevallen als bedoeld in lid 1 wordt op grond van de volgende regels bepaald welk orgaan de kosten voor verstrekkingen voor zijn rekening dient te nemen:
a. a) ingeval de pensioengerechtigde enkel recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van één lidstaat, neemt het bevoegde orgaan van deze lidstaat de kosten voor zijn rekening;
b) ingeval de pensioengerechtigde recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van twee of meer lidstaten, zijn de kosten voor rekening van het bevoegde orgaan van de lidstaat onder wiens wetgeving de betrokkene het langst heeft geressorteerd; indien de toepassing van deze regel ertoe zou leiden dat verscheidene organen de kosten voor hun rekening dienen te nemen, dan komen de kosten voor rekening van het orgaan dat de wetgeving toepast waaraan de pensioengerechtigde laatstelijk onderworpen is geweest.
Artikel 30
Premies of bijdragen ten laste van de pensioengerechtigden
1. Het orgaan van een lidstaat dat krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving belast is met het inhouden van de premies of bijdragen ter dekking van prestaties bij ziekte en van moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen, kan slechts deze premies of bijdragen, welke worden berekend overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving, heffen en innen voor zover de kosten voor de verstrekkingen die moeten worden verleend krachtens de artikelen 23 tot en met 26, worden gedragen door een orgaan van genoemde lidstaat.
2. Wanneer een pensioengerechtigde, in de in artikel 25 bedoelde Pro gevallen, krachtens de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, premies of bijdragen, of soortgelijke inhoudingen verschuldigd is voor het verkrijgen van prestaties bij ziekte en van moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen, zijn deze niet invorderbaar uit hoofde van zijn woonplaats aldaar.
Zorgverzekeringswet
Artikel 69
1. In het buitenland wonende personen die met toepassing van een verordening van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het CAK aan.
2. De personen, bedoeld in het eerste, vijftiende en zestiende lid, zijn een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd.
3. Bij de vaststelling van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, wordt rekening gehouden met een bij ministeriële regeling te bepalen verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon in het woonland van de rechthebbende ten laste van de sociale zorgverzekeringen in dat land en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon in Nederland uit hoofde van deze wet en de Wet langdurige zorg.
Regeling zorgverzekering
Artikel 6.3.1
1. De door een persoon, bedoeld in artikel 69, van de Zorgverzekeringwet, verschuldigde bijdrage wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon uit hoofde van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg in Nederland.
2. De grondslag van de bijdrage is gelijk aan de som van:
a. een inkomensafhankelijke bijdrage ter hoogte van de inkomensafhankelijke bijdrage die de persoon, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet op grond van paragraaf 5.2 van die wet verschuldigd zou zijn geweest indien hij verzekeringsplichtig zou zijn geweest,
b. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig de op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premie voor de Wet langdurige zorg, en verminderd met het bedrag waarop de partner van degene die de bijdrage verschuldigd is volgens de artikelen 8.9 en 8.9a van de Wet inkomstenbelasting 2001 recht zou hebben indien degene die de bijdrage verschuldigd is verzekerd zou zijn ingevolge de Wet langdurige zorg, voor zover op grond van deze bepalingen geen teruggave in de inkomstenbelasting is verleend, en,
c. vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de kalendermaand waarin deze persoon de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, een bijdrage per maand overeenkomende met een twaalfde van het bedrag van de geraamde gemiddelde premie voor een verzekerde voor een zorgverzekering in het berekeningsjaar, bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet op de zorgtoeslag (hierna: nominale deel).
(…)
9. Het verhoudingsgetal, bedoeld in het eerste lid, wordt per land genoemd in bijlage 4 bij deze regeling.
Bijlage horende bij artikel 6.3.1, negende lid, van de Regeling zorgverzekering, zoals gewijzigd met de Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 oktober 2018, Stcrt 2018, 60576.
Land Woonlandfactor
Frankrijk 0,8316

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Algemene Ouderdomswet.
3.Europese Unie.
4.Administratieve Commissie.
5.Publicatieblad C 87 E van 26 maart 2014.
6.6 Zorgverzekeringswet.
7.7 Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.
8.8 Via de European Health Insurance Card.
9.9 Wet langdurige zorg.
10.10 Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, als nadere invulling van de uitspraak van de Raad van 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016.
11.11 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
12.12 Vergelijk de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6362, overweging 3.7.3. Zie ook de uitspraak van de Raad van 28 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2336.
13.13 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4882.
14.14 Uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
15.15 Uitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:748. Vergelijk specifiek met voor artikel 1 Grondwet Pro ook het arrest van de Hoge Raad van 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2495.
16.16 Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, overweging 6.2 tot en met 6.6.