Betrokkene, woonachtig in Frankrijk en verdragsgerechtigde, maakte bezwaar tegen de hoogte van de verdragsbijdrage Zvw omdat hij geen werelddekking had, in tegenstelling tot in Nederland verzekerden. De Raad heeft de regelgeving exceptief getoetst en beoordeeld of de toepassing in dit concrete geval tot een onevenredig nadelige uitkomst leidt.
De Raad oordeelt dat er geen sprake is van ongeoorloofde gelijke behandeling van ongelijke gevallen. De solidariteit binnen het zorgverzekeringsstelsel rechtvaardigt de gehanteerde berekeningswijze, waarbij rekening wordt gehouden met de woonlandfactor. De bijdrage is lager dan die van in Nederland verzekerden, wat een evenwichtige regeling vormt.
Betrokkene stelde dat hij door het ontbreken van werelddekking wordt gediscrimineerd en dat de nominale premie verlaagd zou moeten worden. De Raad verwierp deze stellingen, onder meer omdat de verlaging verwaarloosbaar zou zijn en het systeem een ruime beoordelingsmarge kent.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. De erven van betrokkene krijgen geen vergoeding van proceskosten. De zaak benadrukt het belang van duidelijkheid over de vergoeding van onvoorziene zorgkosten buiten de EU, waarvoor het Hof van Justitie van de EU de aangewezen instantie is.