ECLI:NL:CRVB:2026:178

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
23/3280 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.9 Wsf 2000Art. 3.9a Wsf 2000Art. 3.10 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000Art. 8 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vaststelling toetsingsinkomen ouders voor aanvullende beurs studiefinanciering

Appellant heeft een aanvullende beurs studiefinanciering aangevraagd voor zijn wo-masteropleiding, waarbij de minister het toetsingsinkomen van zijn ouders in Argentinië heeft vastgesteld op basis van de officiële wisselkoers van de Deutsche Bundesbank. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en stelde het bestreden besluit in stand.

In hoger beroep betoogde appellant dat de minister onjuist had gehandeld door niet de vrije wisselkoers te hanteren, niet de wisselkoers van het jaar van de bijdragebetaling te gebruiken, en geen rekening te houden met de valutatransactiebelasting in Argentinië. Tevens stelde appellant dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege de onbillijke situatie.

De Raad oordeelde dat de minister terecht uitging van de officiële wisselkoers van de Deutsche Bundesbank, omdat deze betrouwbare en objectieve gegevens levert. De wettelijke systematiek schrijft voor dat het toetsingsinkomen wordt omgerekend met de wisselkoers van het peiljaar, waarbij een vangnet bestaat voor inkomensdalingen. De belasting op valutatransacties is geen reden om af te wijken van de wettelijke systematiek, omdat de veronderstelde ouderlijke bijdrage een rekeneenheid is. De hardheidsclausule is niet van toepassing gezien de omstandigheden en de mogelijkheid tot peiljaarverlegging.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/3280 WSF
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 oktober 2023, 23/2057 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 19 februari 2026

SAMENVATTING

Appellant vindt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere economische situatie in Argentinië bij het berekenen van de veronderstelde ouderlijke bijdrage om te bepalen of hij recht had op een aanvullende beurs op basis van de Wsf 2000. Anders dan appellant vindt de Raad dat de minister mocht uitgaan van de officiële wisselkoers in plaats van de door appellant voorgestane vrije wisselkoers. De minister mocht ook uitgaan van de wisselkoers in het peiljaar, en hoefde geen rekening te houden met de belastingheffing op valutatransacties door Argentinië. Er zijn verder onvoldoende bijzondere omstandigheden voor de conclusie dat de hardheidsclausule had moeten worden toegepast.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.S. Folsche, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 december 2025. Appellant is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 [1] aangevraagd, waaronder een aanvullende beurs, in verband met de door hem gevolgde wo masteropleiding Industrial Ecology.
1.2.
Met een besluit van 26 oktober 2022 heeft de minister de hoogte van de aanvullende beurs voor de periode september 2021 tot en met december 2023 vastgesteld op een bedrag van € 0,-.
1.3.
Met een besluit van 1 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De minister gebruikt voor het vaststellen van de veronderstelde ouderlijke bijdrage het toetsingsinkomen van de ouders van appellant in het peiljaar. Omdat het gaat om in het buitenland genoten inkomen heeft de minister voor de betrokken jaren het relevante inkomen in Argentijnse peso’s omgerekend naar euro’s. Vervolgens is de veronderstelde ouderlijke bijdrage berekend, en vastgesteld dat deze gelijk is aan de maximale aanvullende beurs waar appellant in 2021, 2022 en 2023 aanspraak op kan maken. Deze is daarom op € 0,- bepaald. In beroep is toegelicht dat, bij gebreke van een wisselkoers van DNB, [2] is uitgegaan van de wisselkoers zoals die is vastgesteld door de Deutsche Bundesbank.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe is onder meer overwogen dat het hanteren van de wisselkoers van de Deutsche Bundesbank een geschikte methode is om op een zo objectief mogelijke wijze het bruto-inkomen van de ouders van appellant te benaderen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant voert aan dat de minister het toetsingsinkomen onjuist heeft vastgesteld. Bij het omrekenen van het inkomen van de ouders van appellant zou in plaats van de officiële wisselkoers de vrije wisselkoers moeten worden gehanteerd. Dat is de koers die van toepassing is als de ouders van appellant daadwerkelijk geld over zouden maken. Omdat die koers veel ongunstiger is, zou het toetsingsinkomen lager moeten worden vastgesteld.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat hij, om willekeur te voorkomen, bij het bepalen van de wisselkoers voor het toepassen van de wettelijke bepalingen alleen uitgaat van officiële bronnen. Een andere aanpak leidt ertoe dat bij elk land en steeds opnieuw bepaald moet worden of zo’n “officiële” koers, dan wel een vrije wisselkoers, moet worden gehanteerd, en zo ja welke. In dit geval is de koers gebruikt zoals vastgesteld door de Deutsche Bundesbank omdat DNB geen gegevens had over de wisselkoers van Argentijnse peso’s in de betrokken jaren. de Raad acht deze handelwijze niet onjuist. De Deutsche Bundesbank is de centrale bank van Duitsland en daarmee gelijk te stellen met DNB. De door deze centrale banken ter beschikking gestelde gegevens over wisselkoersen zijn met inachtneming van kwaliteitswaarborgen tot stand gekomen, en daarmee voldoende betrouwbaar. De minister mocht daarom van deze gegevens uitgaan bij zijn besluitvorming.
4.3.
Appellant voert verder aan dat voor het omrekenen van het inkomen van de ouders niet de wisselkoers van het peiljaar dient te worden gehanteerd maar de wisselkoers die geldt in het jaar waarin de veronderstelde eigen bijdrage dient te worden voldaan, gelet op de (tussentijdse) verslechtering van de wisselkoers.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 20 november 2025 [3] vloeit uit de wettelijke systematiek rechtstreeks voort dat een buitenlands inkomen van ouders in het peiljaar, in een andere valuta dan de euro, moet worden omgerekend in euro’s aan de hand van de wisselkoers in dat peiljaar. De Wsf 2000 biedt voorts de mogelijkheid om bij een terugval in (omgerekend) inkomen het peiljaar te verleggen, onder meer naar het jaar waarop de aanvraag van de aanvullende beurs ziet. De wet biedt daarmee een vangnet voor inkomensdalingen van tenminste 15%, waaronder dalingen die (mede) het gevolg zijn van sterke wisselkoersdaling.
4.5.
Appellant voert verder aan dat Argentinië in de periode waar het om gaat een belasting hief op valutatransacties tot 45%. Dit heeft tot gevolg dat van de ouders van appellant een veel grotere veronderstelde bijdrage wordt verlangd dan volgens de wet de bedoeling is.
4.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van de Wsf 2000 is het toetsingsinkomen van de ouders bepalend voor de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage. Met het besteedbaar inkomen van een ouder en met zijn of haar leefsituatie wordt daarbij volgens vaste rechtspraak geen rekening gehouden, tenzij het omstandigheden betreft die uitdrukkelijk genoemd zijn in de artikelen 3.9 en 3.9a van de Wsf 2000. De veronderstelde ouderlijke bijdrage is volgens die rechtspraak niet meer dan een rekeneenheid die nodig is om te bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, een studerende aanspraak heeft op een aanvullende beurs. [4] Het voorgaande betekent dat de minister voor het bepalen of appellant recht heeft op een aanvullende beurs geen rekening hoefde te houden met de daadwerkelijke kosten voor het voldoen van de veronderstelde ouderlijke bijdrage als gevolg van de daarop door Argentinië geheven belasting op valutatransacties.
4.7.
Als laatste voert appellant aan dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen. Onverkorte toepassing van de wettelijke systematiek leidt in zijn visie door de inflatieproblematiek en de valutatransactiebelastingen die Argentinië heft tot een zeer onbillijke uitkomst.
4.8.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de gedingstukken blijkt dat de minister met schommelingen in het inkomen van de ouders als gevolg van de verslechterde wisselkoersen rekening heeft gehouden door, voor jaren waarin aan de voorwaarden van artikel 3.10 van de Wsf 2000 was voldaan, in te stemmen met verzoeken tot verlegging van het peiljaar. Desondanks was het toetsingsinkomen zo hoog dat de aanvullende beurs voor appellant op nihil moest worden gesteld. Daar komt bij dat appellant heeft aangegeven dat Argentinië zijn burgers toestaat om maandelijks tot het equivalent van 200 Amerikaanse dollar Argentijnse peso’s om te wisselen in buitenlandse valuta. De ouders van appellant waren dan ook in staat om tegen de officiële wisselkoers een bijdrage te leveren in het levensonderhoud van appellant tot een bedrag vergelijkbaar met de veronderstelde ouderlijke bijdrage. In die omstandigheden zijn er onvoldoende bijzondere omstandigheden van individuele aard waarin de minister aanleiding zou moeten vinden om onder toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000 af te wijken van het hiervoor beschreven systeem van de wet. [5]

Conclusie en gevolgen

4.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet studiefinanciering 2000
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
toetsingsinkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met dien verstande dat voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar,
Artikel 3.9. Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage beroepsonderwijs
1. Maatstaf voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is het toetsingsinkomen van de afzonderlijke ouders van de mbo-student in het peiljaar.
2. Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. (…)
Artikel 3.9a. Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage hoger onderwijs
Artikel 3.9 is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor ho-studenten, met dien verstande dat: (…)
Ar
tikel 3.10. Peiljaarverlegging bij terugval in inkomen
1. Op aanvraag van de ouders of een van hen of op aanvraag van de student wordt bij toepassing van de artikelen 3.9 en 3.9a, indien sprake is van een terugval in inkomen over het eerste of het tweede jaar na het peiljaar, uitgegaan van het toetsingsinkomen in dat jaar.
2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan: een vermindering van de som van de toetsingsinkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar.

Voetnoten

1.Wet studiefinanciering 2000.
2.De Nederlandse Bank.
4.Uitspraak van de Raad van 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3052.