ECLI:NL:CRVB:2025:1759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering meerinkomen studiefinanciering ondanks omzetting prestatiebeurs in gift
Appellante ontving studiefinanciering voor een mbo-opleiding en een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg aan haar schoonmoeder. Na omzetting van haar prestatiebeurs in een gift stelde de minister een vordering wegens meerinkomen vast over 2019, omdat haar toetsingsinkomen de bijverdiengrens overschreed.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde de vordering. Appellante voerde aan dat zij op grond van het besluit over de omzetting van de prestatiebeurs mocht vertrouwen dat geen vordering meer zou volgen en dat de pgb-gelden volledig aan zorg waren besteed. De rechtbank ging hier niet in mee.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De omzetting van de prestatiebeurs in een gift staat het opleggen van een vordering wegens meerinkomen niet in de weg. De wijze van besteding van het pgb-inkomen is irrelevant voor de vaststelling van meerinkomen. De Raad verwijst naar vaste rechtspraak en benadrukt dat de wetgever het toetsingsinkomen als maatstaf hanteert. Het beroep op de hardheidsclausule faalt eveneens.
De vordering van € 5.466,70 blijft in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 november 2025.
Uitkomst: De vordering wegens meerinkomen over 2019 van € 5.466,70 blijft in stand en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.