ECLI:NL:CRVB:2026:180

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
23/3425 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep succesvol tegen proceskostenveroordeling bij niet tijdig beslissen

Appellant, met de Poolse nationaliteit, vroeg op 8 april 2022 studiefinanciering aan, waaronder een aanvullende beurs en een reisvoorziening. De minister wees deze aanvragen op 3 juni 2022 af. Appellant maakte bezwaar en klaagde op 2 november 2022 over het niet tijdig beslissen op dat bezwaar. De minister legde op 30 december 2022 een dwangsom op wegens deze vertraging. Appellant stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig nemen van een beslissing.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit gedeeltelijk en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €1.674,-, gebaseerd op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, beide met wegingsfactor 1. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding had toegekend voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, waarvoor een extra punt met wegingsfactor 0,5 zou moeten gelden.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep slaagt omdat het indienen van een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit een afzonderlijke proceshandeling is die een vergoeding verdient. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat deze vergoeding niet toekende en veroordeelde de minister tot betaling van €934,- aan proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €136,-.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor het niet toekennen van proceskostenvergoeding en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/3425 WSF
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2023, 23/237 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (Italië) (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 19 februari 2026
SAMENVATTING
De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten om bij de proceskostenveroordeling een extra punt met een wegingsfactor 0,5 in aanmerking te nemen voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.S. Folsche, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk overgelegd
.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 januari 2026. Appellant is niet verschenen. Namens de minister heeft mr. G.J.M. Naber via beeldbellen aan de zitting deelgenomen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant heeft de Poolse nationaliteit. Hij heeft op 8 april 2022 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 aangevraagd. De aanvraag betreft een aanvullende beurs met ingang van 1 februari 2022 en een reisvoorziening met ingang van 1 mei 2022.
1.2.
Met een besluit van 3 juni 2022 heeft de minister de aanvraag voor een aanvullende beurs voor de periode februari 2022 tot en met december 2022 afgewezen. De aanvraag voor een reisvoorziening is voor de periode mei 2022 tot en met december 2022 afgewezen.
1.3.
Appellant heeft op 24 juni 2022 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 juni 2022.
1.4.
Op 2 november 2022 heeft appellant aan de minister bericht dat de termijn voor het nemen van een beslissing op het bezwaar is verstreken en dat hij binnen twee weken een beslissing wenst te ontvangen.
1.5.
Met een besluit van 30 december 2022 heeft de minister aan appellant een (maximale) dwangsom toegekend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
1.6.
Appellant heeft op 9 januari 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.
1.7.
Met een besluit van 3 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 3 juni 2022 ongegrond verklaard.
1.8.
Appellant heeft zijn beroep na het nemen van het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor een deel van 2022, het besluit van 3 juni 2022 herroepen en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen voor de betreffende periode. De rechtbank heeft de minister veroordeeld in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.674,-. Hierbij is uitgegaan van 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een wegingsfactor 1.
Het standpunt van partijen
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om, naast de proceskostenvergoeding die is toegekend voor het inhoudelijke beroep, een 0,5 punt proceskostenvergoeding toe te kennen in verband met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
3.2.
De minister heeft te kennen gegeven dat hij zich refereert aan het oordeel van de Raad over de geclaimde proceskostenvergoeding.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Vastgesteld wordt dat het hoger beroep beperkt is tot (de hoogte van) de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding.
4.2.
Het indienen van een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit vormt een afzonderlijke proceshandeling waarvoor een punt moet worden toegekend indien terecht beroep is ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. [1] Hierbij geldt een wegingsfactor 0,5. Dit betekent dat de rechtbank bij de proceskostenveroordeling heeft verzuimd een extra punt met een wegingsfactor 0,5 in aanmerking te nemen. [2]

Conclusie en gevolgen

4.3.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarin bij de proceskostenveroordeling niet ook een vergoeding is toegekend voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
5. Gelet op 4.2 en 4.3 bestaat er aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit en 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, beide met een wegingsfactor van 0,5). Verder moet de minister het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is toegekend voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 934,-;
  • bepaalt dat de minister het door appellant voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) S. Ploum

Voetnoten

1.1 Vergelijk de uitspraak van 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:56, r.o. 4.3.
2.2 Zie ook de uitspraak van 20 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1723.