ECLI:NL:CRVB:2025:56
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening UWV-besluit Ziektewet op grond van geen nieuw feit
Appellant verzocht het UWV om herziening van het besluit van 15 oktober 2015, waarbij zijn Ziektewet-uitkering werd beëindigd omdat hij geschikt werd geacht voor zijn werk. Ter onderbouwing diende hij een brief van het CVS/ME Medisch Centrum van 1 juni 2022 in, stellende dat dit een nieuw feit was. De Raad oordeelt dat deze brief geen nieuw feit vormt, aangezien de diagnose CVS/ME reeds in 2016 was gesteld en de klachten uit 2015 bekend waren.
De rechtbank had het beroep tegen het UWV-besluit afgewezen en geen proceskostenveroordeling uitgesproken voor het niet tijdig beslissen op bezwaar. De Centrale Raad vernietigt dit deel van de uitspraak en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten in beroep en hoger beroep.
De Raad bevestigt het bestreden besluit van het UWV dat het verzoek tot herziening terecht is afgewezen. De Raad ziet geen aanleiding een deskundige te benoemen, aangezien de medische beoordeling van het UWV niet is weersproken. De vergoeding van het betaalde griffierecht wordt eveneens toegewezen.
De uitspraak benadrukt de strikte toepassing van artikel 4:6 Awb Pro omtrent nieuw feit en veranderde omstandigheden en bevestigt dat een diagnose op zich geen nieuw feit oplevert als deze reeds bekend was of niet eerder kon worden aangevoerd.
De procedure omvatte meerdere verzoeken, bezwaar- en beroepsprocedures, waarbij het UWV steeds het standpunt handhaafde dat appellant geschikt was voor zijn werk en niet voldeed aan de WIA-voorwaarden.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het UWV-besluit uit 2015 wordt afgewezen, maar het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten wegens niet tijdig beslissen.