Appellante, met de Letse nationaliteit, vroeg studiefinanciering aan met ingang van september 2021. De minister kende studiefinanciering toe voor bepaalde periodes, maar wees de aanvraag af voor september tot en met december 2021. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante deels ongegrond voor deze periode vanwege marginale werkzaamheden en gering loon.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel als migrerend werknemer moest worden aangemerkt, mede vanwege haar arbeidsverhouding met een werkgever en werkzaamheden als zelfstandige. De minister betwistte dit en stelde dat de uren en duur van de arbeidsrelatie te gering waren.
De Raad oordeelt dat appellante onvoldoende bewijs heeft geleverd voor reële zelfstandige activiteiten en dat haar loondienstwerkzaamheden in november en december 2021 marginaal waren. Zij voldeed niet aan het urencriterium voor migrerend werknemerschap. De Raad bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank dat appellante geen recht heeft op studiefinanciering in deze maanden.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de rechtbank een proceskostenvergoeding ten onrechte niet volledig heeft toegekend voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen. De Raad vernietigt dit deel van de uitspraak en veroordeelt de minister tot een aanvullende proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierecht.