ECLI:NL:CRVB:2026:181

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
23/2177 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 6 EVRMArt. 8:58 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:74 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering dwangsommen wegens tijdige besluitvorming studiefinanciering

Appellant had bezwaar gemaakt tegen diverse besluiten van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap omtrent studiefinanciering en aanvullende beurs. De minister had tijdig binnen de wettelijke termijnen beslist, waardoor het verzoek om dwangsommen wegens niet tijdig beslissen werd afgewezen.

De rechtbank had het beroep tegen enkele besluiten gegrond verklaard en andere ongegrond, waarbij ook een veroordeling tot vergoeding van griffierecht werd uitgesproken. Appellant stelde in hoger beroep dat de minister onterecht niet tijdig had beslist en dat er sprake was van schending van het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel, alsmede dat de rechtbank in strijd met de Awb had gehandeld.

De Raad oordeelde dat het niet tijdig beslissen niet aannemelijk was, dat het niet tijdig betalen van griffierecht niet bestuursrechtelijk afdwingbaar is, en dat appellant onvoldoende had toegelicht waarom de rechtbank in strijd met de Awb zou hebben gehandeld. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen vanwege het geringe financiële belang en beperkte overschrijding.

De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, inclusief het verzoek om vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat de minister tijdig heeft beslist en wijst het verzoek om dwangsommen en schadevergoeding af.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/2177 WSF, 23/2179 WSF
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 juni 2023, 22/687 en 22/1706 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 19 februari 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat om het weigeren van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank: dat appellant het genomen besluit onjuist of onvolledig vindt maakt niet dat het besluit niet tijdig is genomen. Verder oordeelt de Raad dat het al dan niet daadwerkelijk overgaan tot betaling ter uitvoering van een veroordeling tot betaling van het griffierecht niet bij de bestuursrechter aan de orde kan worden gesteld. Appellant krijgt dus geen gelijk. Appellant krijgt ook geen schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Namens appellant hebben [naam 1] en [naam 2] , ouders van appellant, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 november 2025. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Aan appellant is bij besluit van 26 februari 2020 voor de periode van september tot en met december 2020 een aanvullende beurs in de vorm van een gift toegekend op grond van de Wsf 2000 [1] in verband met de door hem gevolgde hbo-bacheloropleiding International Business aan de Hanzehogeschool Groningen. De studiefinanciering is per 1 november 2020 op verzoek van appellant stopgezet omdat hij zich heeft uitgeschreven van zijn studie.
1.2.
Bij besluit van 15 februari 2021 is aan appellant medegedeeld dat de terugbetalingsperiode voor zijn studieschuld is aangevangen op 1 januari 2021. Daarbij is vermeld dat appellant in de eerste 24 maanden van de terugbetalingsperiode, de zogenoemde aanloopfase, zijn studieschuld nog niet hoeft af te lossen.
1.3.
Op 8 augustus 2021 heeft appellant opnieuw studiefinanciering aangevraagd. Met een besluit van 24 augustus 2021 (besluit 1) heeft de minister appellant medegedeeld dat hij recht heeft op een aanvullende beurs, over september tot met november 2021 in de vorm van een gift en over december 2021 in de vorm van een prestatiebeurs.
1.4.
Met een besluit van 12 oktober 2021 (besluit 2) heeft de minister aan appellant over het jaar 2022 een aanvullende beurs toegekend ten bedrage van € 0,- en een reisvoorziening, beiden in de vorm van een prestatiebeurs. Met een besluit van 27 oktober 2021 (besluit 3) heeft de minister over het jaar 2022 de aanvullende beurs herzien naar € 216,14 per maand.
1.5.
Appellant heeft op 20 november 2021 bezwaar gemaakt tegen besluiten 1 tot en met 3. Daarbij is ook bezwaar gemaakt tegen de voor appellant nog resterende studiefinancieringsrechten zoals deze vermeld stonden in een overzicht van de maand november 2021 op ‘Mijn DUO’, waarvan appellant een schermafdruk heeft gemaakt en met zijn bezwaar heeft meegezonden (hierna: schermafdruk november 2021).
1.6.
Met een besluit van 6 november 2021 (besluit 4) heeft de minister medegedeeld dat appellant over het jaar 2022 geen studieschuld hoeft af te lossen vanwege het starten van een nieuwe studie. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.7.
Bij besluit van 22 december 2021 (bestreden besluit 1) heeft de minister de bezwaren tegen besluit 1, besluit 3 en de schermafdruk van november 2021 nietontvankelijk verklaard. Het bezwaar tegen besluit 2 is ongegrond verklaard. De minister stelt vast dat het bezwaar tegen besluit 1 te laat is ingediend en bepaalt dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ten aanzien van besluit 2 stelt de minister vast dat appellant in september en oktober 2020 reeds twee maanden aanvullende beurs in de vorm van een gift heeft ontvangen. Dat betekent dat hij per september 2021 nog recht heeft op drie maanden aanvullende beurs in de vorm van een gift. De aanvullende beurs is over januari 2022 daarom, anders dan appellant betoogt, terecht niet verstrekt in de vorm van een gift maar in de vorm van een prestatiebeurs. Het bezwaar tegen besluit 3 was gericht tegen de vorm van de toegekende studiefinanciering over januari 2022. Dit is al eerder vastgesteld in het besluit van 12 oktober 2021. Besluit 3 verandert niets aan de rechten en verplichtingen op dit punt, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk is. Tegen de schermafdruk van november 2021 kan geen bezwaar worden gemaakt, omdat het geen besluit is in de zin van de Awb. [2]
1.8.
Met een besluit van 10 januari 2022 heeft de minister toepassing gegeven aan de zogenoemde 1 februari regeling van artikel 5.10 Wsf 2000, omdat appellant zijn prestatiebeurs voor 1 februari 2021 heeft stopgezet. Appellant heeft recht op omzetting van twee maanden prestatiebeurs in een gift.
1.9.
Bij brief van 17 maart 2022 heeft appellant de minister in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen besluit 4 en verzocht om binnen twee weken een beslissing op het verzoek te nemen.
1.10.
Bij besluit van 25 maart 2022 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen besluit 4 niet-ontvankelijk verklaard. De minister stelt vast dat het bezwaar is gericht tegen het in dat besluit opgenomen overzicht van de resterende maanden van de aanloopfase, de periode waarin de studieschuld nog niet hoeft te worden terugbetaald. Dit is echter al in eerdere besluiten vastgesteld. Besluit 4 verandert niets in de rechten en plichten van appellant ten opzichte van de eerdere besluiten, waardoor hiertegen geen bezwaarschrift kan worden ingediend.
1.11.
Met een besluit van 28 maart 2022 (besluit 5) heeft de minister naar aanleiding van de ingebrekestelling van 17 maart 2022 vastgesteld dat hij geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen is verschuldigd, omdat binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling is beslist op het bezwaar in bestreden besluit 2.
1.12.
Bij brief van 7 april 2022 heeft appellant de minister in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een reactie op de bezwaren tegen het besluit van 10 januari 2022, dat volgens appellant strekt ter vervanging van het besluit van 6 november 2021, waardoor de bezwaren van 20 november 2021 zich volgens appellant eveneens tot dat besluit richten.
1.13.
Met een besluit van 12 april 2022 (besluit 6) heeft de minister naar aanleiding van de ingebrekestelling van 7 april 2022 geweigerd een dwangsom toe te kennen.
1.14.
Bij besluit van 13 mei 2022 (bestreden besluit 3) is het bezwaar tegen de besluiten 5 en 6 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover dat ziet op besluit 2 en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit in stand blijven. Voor zover hier van belang is daarbij een veroordeling uitgesproken tot vergoeding van het griffierecht aan appellant.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 2 en bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. Voor zover hier van belang overweegt de rechtbank ten aanzien van bestreden besluit 3 dat de minister in bestreden besluit 3 terecht heeft geconcludeerd dat hij geen dwangsom is verschuldigd. De ingebrekestelling van 17 maart 2022 kan niet leiden tot het verbeuren van een dwangsom, omdat binnen twee weken na de ingebrekestelling op 25 maart 2022 is beslist op het bezwaar met bestreden besluit 2. Daarbij wijst de rechtbank op artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Ook de tweede ingebrekestelling van 7 april 2022 kan niet leiden tot het verbeuren van een dwangsom nu deze ingebrekestelling dateert van na het bekendmaken van bestreden besluit 2, en met dat besluit is beslist op de bezwaren van appellant. Dat de minister in bestreden besluit 2 volgens appellant niet op alle relevante punten is ingegaan kan niet aan deze conclusie afdoen. De dwangsom wegens niet tijdig beslissen ziet erop de minister te bewegen tot besluitvorming. De rechtsmiddelen van bezwaar en beroep kunnen worden aangewend wanneer men het met de inhoud van die besluitvorming niet eens is.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met een deel van de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en de verdragsbepaling die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geding bij de Raad
4.1.
Bij brief van 26 november 2025 heeft appellant nadere stukken ingediend. Appellant heeft in een begeleidende brief geschreven dat de stukken ter context zijn bijgevoegd en geen nieuwe hoger beroepsgronden bevatten. Vast staat dat deze brief met bijbehorende stukken niet binnen de termijn van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb zijn ingediend. Voor het antwoord op de vraag of het overleggen van stukken in strijd is met de goede procesorde is doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting kan plaatsvinden. In dit geval is niet duidelijk hoe de stukken zich verhouden met wat appellant in deze procedure blijkens zijn hoger beroepsgronden ter discussie beoogd te stellen. Appellant is ook niet op de zitting verschenen, zodat een nadere toelichting daarop ontbreekt. Dat betekent in dit geval dat de goede procesorde zich ertegen verzet om deze stukken toe te laten. De Raad laat de brief en de daarbij behorende stukken daarom buiten beschouwing.
De minister heeft geen dwangsom verbeurd
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten vast te stellen dat de minister meerdere keren heeft geweigerd tijdig te beslissen, ondanks de ingebrekestellingen. Appellant heeft recht op de door de minister verbeurde dwangsommen wegens het niet-tijdig beslissen.
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant beperkt is tot het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 3. De Raad vat, gelet op het dossier en het bij de rechtbank verhandelde, de grond zo op dat appellant vindt dat als de minister naar oordeel van appellant onjuist heeft beslist, of niet alle gronden van bezwaar heeft besproken, dat gelijkgesteld moet worden met het geheel niet beslissen. Daarom is de minister volgens appellant vanwege niet tijdig beslissen een dwangsom verschuldigd. Wat appellant aanvoert is een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat standpunt niet leidt tot vernietiging van bestreden besluit 3. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen, zoals weergegeven onder 2.2, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het uitblijven van de betaling naar aanleiding van een veroordeling tot het betalen van het griffierecht kan niet bij de bestuursrechter ter discussie worden gesteld
4.4.
Appellant heeft verder aangevoerd dat de minister zijn betalingsverplichtingen uit eerdere rechterlijke uitspraken niet (tijdig) heeft uitgevoerd. Dit is in strijd met het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel.
4.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De aangevallen uitspraak levert ingevolge artikel 8:76 van Pro de Awb een executoriale titel op die met toepassing van de voorschriften van het Rv [3] kan worden tenuitvoergelegd. Dit brengt mee dat de daadwerkelijke betaling van het griffierecht die de minister volgens de uitspraak van de rechtbank moet vergoeden alleen langs civielrechtelijke weg en niet langs bestuursrechtelijke weg kan worden afgedwongen. [4] De minister heeft ter zitting overigens toegelicht dat het griffierecht inmiddels aan appellant is betaald.
Appellant heeft niet toegelicht waarom hij vindt dat de rechtbank in strijd met artikel 8:69 van Pro de Awb heeft gehandeld
4.6.
Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat de rechtbank in strijd met artikel 8:69 van Pro de Awb heeft gehandeld.
4.7.
Deze beroepsgrond slaagt al niet om dat appellant niet heeft toegelicht in welk opzicht en waarom de rechtbank in deze zaak in strijd met artikel 8:69 van Pro de Awb heeft gehandeld.
Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen
4.8.
Appellant heeft ten slotte gevraagd om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. [5]
4.9.
Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [6]
4.10.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
4.11.
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak. [7]
4.12.
De Raad is van oordeel dat de zaken in verband waarmee appellant hoger beroepen heeft ingesteld in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, namelijk het recht op studiefinanciering. Er is geen sprake geweest van gezamenlijke behandeling van alle tegen de besluiten aangewende rechtsmiddelen, zodat ter bepaling van de mate van overschrijding uit moet worden gegaan van het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.
4.13.
Het eerste bezwaarschrift is ontvangen op 20 november 2021. Gelet op de datum van deze uitspraak betekent dit dat meer dan vier jaar is verstreken voordat uitspraak is gedaan. Noch de zaak zelf, noch de opstelling van appellant geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn met, afgerond, vier maanden is overschreden.
4.14.
Vervolgens moet worden bezien of dit leidt tot een schadevergoeding. De Raad heeft het uitgangspunt dat een vergoeding van € 500,- per half jaar (of een gedeelte daarvan) waarmee de redelijke termijn is overschreden recent genuanceerd. In zaken waarin het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000,- bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, kan in plaats van een schadevergoeding in beginsel worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn overschreden. [8]
4.15.
De kern van dit geschil betrof oorspronkelijk de gevolgen van de door appellant genoten studiefinanciering in september en oktober 2020 voor zijn resterende studiefinancieringsrechten. Als appellant in zijn oorspronkelijke standpunt dat deze maanden niet zouden moeten meetellen zou worden gevolgd, dan zou hij recht hebben op twee maanden extra aanvullende beurs, in de vorm van een gift. Dat is minder dan € 1.000,-. Het feit dat appellant de minister verschillende malen in gebreke heeft gesteld, waarbij bij niet-tijdig beslissen een maximumbedrag van € 1.442,- gemoeid is, maakt niet dat het belang bij de procedure € 1.000,- overschrijdt. Met deze nevenvorderingen wordt naar vaste rechtspraak geen rekening gehouden. [9] Gelet op het relatief geringe financiële belang en de geringe overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Raad daarom met de constatering dat de redelijke termijn met afgerond vier maanden is overschreden.

Conclusie en gevolgen

4.16.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevochten, bevestigd. Daarnaast wordt het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.

(getekend) A. Hoogenboom

(getekend) M. Dafir

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:58
1. Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.
(..)
Artikel 8:69
1. De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
2. De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
3. De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.
Artikel 8:76
Voor zover een uitspraak strekt tot vergoeding van griffierecht, proceskosten of schade als bedoeld in artikel 8:74, 8:75, 8:75a, 8:82, vierde lid, 8:87, derde lid, of 8:95 levert zij een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 6
1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
(…).

Voetnoten

1.Wet studiefinanciering 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.Zie uitspraak van de Raad van 22 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1850.
5.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
7.Uitspraak van de Raad van 19 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1254.
8.Uitspraak van de Raad van 28 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1598.
9.HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.1.