Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:194

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
24/2225 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMWmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing maatwerkvoorziening opvang Wmo 2015 wegens zelfredzaamheid en huisvestingsprobleem

Appellante, geboren in 1979, heeft zich in mei 2023 gemeld bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college wees de aanvraag af omdat appellante voldoende zelfredzaam is. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en handhaafde het besluit.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege huiselijk geweld met haar kinderen naar Nederland is gekomen en niet in staat is zich zelfstandig te handhaven. Zij woont sinds juli 2023 in een antikraakwoning, maar de duur hiervan is onzeker. Haar kinderen verblijven bij haar zwager, die heeft aangegeven dat dit niet langer mogelijk is. Het college stelde dat appellante geen procesbelang heeft omdat zij zelf voor onderdak heeft gezorgd.

De Raad oordeelt dat appellante wel procesbelang heeft, maar dat zij geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. De Raad sluit zich aan bij de rechtbank dat appellante voldoende zelfredzaam is en dat het probleem vooral een huisvestingsprobleem betreft, waarvoor de Wmo 2015 niet bedoeld is. De belangen van de kinderen zijn meegewogen, maar bieden geen grond voor opvang. Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit tot afwijzing van de opvang op grond van de Wmo 2015 blijft in stand.

Uitspraak

24/2225 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 augustus 2024, 23/5553 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 19 februari 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of het college de aanvraag van appellante om opvang op grond van de Wmo 2015 terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Kaplan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Mr. O.C. Bozbiyik, advocaat en kantoorgenoot van mr. Kaplan, heeft mr. Kaplan opgevolgd als gemachtigde van appellante.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft – middels beeldbellen – plaatsgevonden op 8 januari 2026. Namens appellante is mr. N. Talhaoui, advocaat en kantoorgenoot van mr. Bozbiyik, verschenen. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1979, heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij heeft tussen 2012 en 2022 in Marokko gewoond met haar echtgenoot en haar kinderen. Na eerst elders in onderdak te hebben voorzien, heeft appellante zich op 16 mei 2023 bij het college gemeld voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
1.2.
Het college heeft met een besluit van 19 mei 2023
,na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 27 juli 2023 (bestreden besluit), de aanvraag van appellante om een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante niet voor een maatwerkvoorziening opvang in aanmerking komt omdat zij voldoende zelfredzaam is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor opvang. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat appellante in staat is zich te handhaven in de samenleving. Appellante heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft zich zowel in Nederland als in Marokko zonder ondersteuning jarenlang kunnen handhaven. Ook heeft appellante op eigen kracht de reis met haar kinderen naar Nederland geregeld. Verder is zij door haar netwerk opgevangen, ontvangt zij een bijstandsuitkering in aanvulling op parttime inkomsten uit arbeid, heeft zij toeslagen aangevraagd en beschikt zij over een inschrijfadres. Het beroep van appellante op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden slaagt niet. Het belang van het kind dient weliswaar voorop te staan, maar de positieve verplichting gaat niet zo ver dat het college aan iemand die zelf in de noodzakelijke voorzieningen voor opvang en de ontwikkeling van het minderjarige kind kan voorzien, onderdak en voorzieningen moet verstrekken. Appellante heeft altijd voor haar kinderen en voor onderdak gezorgd. De kinderen gaan naar school en verblijven bij haar zwager.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij wegens huiselijk geweld met haar kinderen naar Nederland is gekomen. Appellante is niet in staat zich op eigen kracht of met hulp uit haar sociaal netwerk te handhaven in de samenleving. Appellante heeft een antikraakwoning gevonden, maar het is onbekend hoe lang zij hier kan blijven wonen. Verder houdt het college onvoldoende rekening met de belangen van de kinderen. De kinderen van appellante wonen bij haar zwager. Hij heeft aangegeven dat de kinderen niet langer bij hem kunnen blijven wonen.
Het standpunt van het college
3.2.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante geen procesbelang heeft. Appellante heeft zelf in onderdak voor haar en haar kinderen voorzien. Zij woont sinds 12 juli 2023 in een antikraakwoning, samen met haar inmiddels meerderjarige oudste zoon. De twee jongste kinderen wonen bij haar zwager. Voor zover appellante wel procesbelang heeft, heeft het college bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Appellante heeft toegelicht dat zij met het hoger beroep wil bereiken dat zij met haar kinderen een plek in de opvang krijgt. Appellante heeft daarom procesbelang bij de beoordeling van het hoger beroep.
4.2.
Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Zij heeft zich beperkt tot wat zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd.
4.3.
De rechtbank heeft voldoende gemotiveerd waarom deze gronden niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad is het eens met de overwegingen van de rechtbank en het op grond hiervan gewezen oordeel over de beroepsgronden en verwijst daarnaar. De Raad voegt daar nog aan toe dat het gestelde huiselijke geweld reeds bij gebrek aan onderbouwing niet tot een ander oordeel leidt. Alles wijst erop dat appellante vooral een huisvestingsprobleem heeft door de schaarste op de woningmarkt. De Wmo 2015 is niet bedoeld om dit probleem op te lossen. [1] Voor wat betreft de minderjarige kinderen wordt nog toegevoegd dat ter zitting is gebleken dat deze ook nu nog verblijven bij de zwager van appellante, die in haar directe nabijheid woont.
Conclusie en gevolgen
4.4.
Uit wat in 4.2 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor de proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D. Hardonk-Prins en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) F.M. Gerritsen

Voetnoten

1.Zie CRvB 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931.