ECLI:NL:CRVB:2026:209

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
24/1813 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 43 Wet WIAArt. 57 Wet WIAArt. 64 Wet WIAArt. 76 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herleving WIA-uitkering na detentie vanaf 1 mei 2023 bevestigd door Centrale Raad van Beroep

Appellant ontving sinds 24 augustus 2018 een WIA-uitkering die werd stopgezet per 28 april 2020 vanwege detentie. Na zijn detentie heeft appellant getracht de uitkering te laten herleven. Het UWV stelde dat de herleving pas kon ingaan vanaf 1 mei 2023, omdat appellant onvoldoende bewijs leverde over zijn situatie in de periode daarvoor.

De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat appellant niet tijdig een aanvraag had ingediend en onvoldoende informatie had verstrekt over zijn verblijfplaats en inkomsten na detentie. Appellant voerde aan dat volgens de wet herleving automatisch plaatsvindt en dat het telefoongesprek van 27 juli 2022 als aanvraag moest worden gezien, maar dit werd verworpen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad oordeelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vóór 1 mei 2023 recht had op de uitkering, mede doordat hij geen bewijsstukken over zijn verblijf en inkomsten heeft overgelegd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitkering herleeft derhalve vanaf 1 mei 2023.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering pas herleeft vanaf 1 mei 2023 vanwege onvoldoende bewijs van appellant over de periode daarvoor.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1813 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 juli 2024, 23/5495 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

SAMENVATTING

In deze uitspraak beoordeelt de Raad of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de WIAuitkering van appellant na detentie is herleefd vanaf 1 mei 2023. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat het recht op uitkering over de periode voorafgaand aan die datum niet kan worden vastgesteld, omdat appellant niet voldoende informatie heeft overgelegd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft beide partijen vragen gesteld. Het Uwv heeft de door de Raad gestelde vragen beantwoord. Appellant heeft de vragen niet beantwoord, maar wel aanvullende informatie ingebracht.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rhodes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving vanaf 24 augustus 2018 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op 2 april 2020 heeft het Uwv een detentiemelding ontvangen, waarin staat dat appellant vanaf [datum 1] 2020 gedetineerd is. Naar aanleiding van deze melding heeft het Uwv appellant bericht dat zijn WIA-uitkering wordt stopgezet als hij op 28 april 2020 nog gedetineerd is. Met een besluit van 30 juni 2020 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant met ingang van 28 april 2020 beëindigd. Appellant heeft vanaf 28 april 2020 geen uitkering meer ontvangen. Het Uwv heeft in de toelichting bij het besluit van 30 juni 2020 vermeld dat appellant als de detentie is afgelopen mogelijk weer een uitkering kan krijgen. Appellant moet daarvoor schriftelijk doorgeven dat zijn detentie is afgelopen en een ontslagbewijs overleggen van de instelling waar hij gedetineerd was.
1.2.
Op 27 juli 2022 heeft de dochter van de voormalig werkgever van appellant telefonisch contact opgenomen met het Uwv en besproken dat appellant al twee jaar uit detentie is. Zij heeft gevraagd of appellant weer een WIAuitkering zou kunnen krijgen. Het Uwv heeft haar gevraagd de ontslagbrief uit detentie op te sturen en een inschrijving bij een gemeente. Op 22 september 2022 heeft zij opnieuw telefonisch contact opgenomen met het Uwv met de vraag of zonder vast adres een uitkering kon worden verkregen. Het Uwv heeft haar geïnformeerd dat om voor een WIAuitkering in aanmerking te komen geen vast woonadres nodig is, maar dat een inschrijving bij de gemeente wel nodig is. Ook moet een (post)adres worden doorgegeven of een eventueel buitenlands adres indien men woonachtig is in het buitenland.
1.3.
Op 3 mei 2023 heeft het Uwv van appellant een op 19 augustus 2022 gedateerde detentieverklaring ontvangen, waaruit blijkt dat appellant vanaf [datum 2] 2020 niet meer gedetineerd is. Ook heeft appellant een postadres in [woonplaats] doorgegeven en een brief overgelegd van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein waaruit blijkt dat het verzoek om een briefadres in [plaats] buiten behandeling is gesteld, omdat appellant niet de benodigde informatie heeft verschaft.
1.4.
Bij besluit van 23 juni 2023 heeft het Uwv vastgesteld dat de WIAuitkering van appellant herleeft vanaf 3 mei 2022. Het Uwv heeft appellant om bankafschriften over de periode van 3 mei 2022 tot en met 30 april 2023 gevraagd, om te bezien of er inkomsten zijn geweest in dat jaar. Als de gegevens zijn ontvangen, zal verdere beoordeling plaatsvinden.
1.5.
Appellant heeft het Uwv op 11 juli 2023 geïnformeerd dat zijn bankrekening op 24 maart 2021 is opgeheven, zodat hij niet in staat is bankafschriften over de periode van 3 mei 2022 tot en met 30 april 2023 te verstrekken.
1.6.
Bij besluit van 14 juli 2023 heeft het Uwv vastgesteld dat de WIAuitkering niet vanaf 3 mei 2022 kan herleven, als appellant geen bewijsstukken overlegt waaruit blijkt waar hij heeft gewoond en waarvan hij heeft geleefd. In dat geval herleeft de uitkering niet vanaf 3 mei 2022, maar vanaf 1 mei 2023.
1.7.
Het Uwv heeft de uitkering feitelijk vanaf 1 mei 2023 uitbetaald.
1.8.
Appellant heeft op 3 augustus 2023 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 juni 2023. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant bij beslissing op bezwaar van 15 december 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat voor herleving van het recht op een WIAuitkering een aanvraag is vereist. Voor de beoordeling of de uitkering zou kunnen herleven, waren bovendien een detentieverklaring en een BRPadres nodig. Appellant heeft pas op 3 mei 2023 een aanvraag ingediend, Daarom kan het recht op uitkering niet worden vastgesteld over een periode gelegen voor 3 mei 2022. Het Uwv is verder niet gebleken van een bijzonder geval om de WIAuitkering met een termijn van meer dan een jaar terugwerkende kracht vast te stellen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat een aanvraag weliswaar vormvrij is, maar dat het bestuursorgaan wel voldoende duidelijk moet worden dat iemand beoogt een aanvraag te doen. Op basis van de contacthistorie van de telefonische helpdesk van het Uwv kan volgens de rechtbank niet worden vastgesteld dat op 27 juli 2022 is verzocht een besluit te nemen. Uit die contacthistorie kan alleen worden afgeleid dat de voormalig werkgever (lees: dochter van de voormalig werkgever) van appellant heeft gebeld om informatie te vragen over de rechtspositie van appellant. Pas op 3 mei 2023 ontving het Uwv informatie van appellant, die als een aanvraag kon worden beschouwd. De rechtbank heeft tot slot geen aanleiding gezien om af te wijken van de hoofdregel dat de uitkering vanaf 52 weken voor de aanvraag kan herleven. Appellant heeft aangevoerd dat hij kampt met psychische problemen en na zijn detentie dakloos is geweest, waarbij hij een zwervend bestaan leidde. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv met de door appellant aangevoerde omstandigheden geen rekening heeft hoeven houden, omdat het Uwv appellant tijdens de hoorzitting de mogelijkheid heeft geboden de verzekeringsarts te laten beoordelen of er medische redenen waren waarom appellant na zijn detentie niet eerder contact heeft opgenomen met het Uwv. Hij zou daarvoor aanvullende medische informatie aanleveren, maar heeft dit niet gedaan. Ook heeft hij geen gebruik gemaakt van de gelegenheid die hem is geboden om aan te geven of hij een beoordeling door de verzekeringsarts wenste. Daarmee beschikte het Uwv over onvoldoende informatie om rekening te kunnen houden met de gestelde omstandigheden. Ook tijdens de beroepsprocedure zijn deze omstandigheden niet nader onderbouwd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat uit artikel 57, derde lid, van de Wet WIA volgt dat herleving van de uitkering plaatsvindt op de dag dat de uitsluitingsgrond van detentie zich niet meer voordoet. Er geldt dus geen verplichting om een aanvraag te doen bij herleving van een WIAuitkering. Dit betekent dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het recht op uitkering niet voor 3 mei 2022 kan worden vastgesteld. Bovendien heeft appellant aangevoerd dat het telefoongesprek van 27 juli 2022 wel degelijk als een aanvraag moet worden beschouwd. Volgens appellant is de overweging van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig. Bovendien zijn er bijzondere omstandigheden om van de periode van 52 weken af te wijken. In dat kader heeft appellant benadrukt dat hij zware psychische klachten en maatschappelijke problemen heeft, waardoor hij zich niet eerder op een adres kon inschrijven.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen
.Het Uwv heeft de Raad verzocht het besluit van 14 juli 2023 bij de beoordeling te betrekken, omdat uit dat besluit volgt dat het Uwv onvoldoende informatie had om het recht vóór 1 mei 2023 vast te stellen, zodat het aannemen van een bijzonder geval niets zou veranderen aan de ingangsdatum van de herleefde uitkering.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herleving van de WIAuitkering in stand heeft gelaten De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Het Uwv heeft terecht betoogd dat het besluit van 14 juli 2023 een besluit is waarbij het besluit van 23 juni 2023 is gewijzigd. Het Uwv heeft het bezwaar van 3 augustus 2023 niet expliciet gericht geacht tegen het besluit van 14 juli 2023. Wel heeft het Uwv uitvoering gegeven aan dit besluit, aangezien de WIAuitkering pas vanaf 1 mei 2023 aan appellant is betaald. In bezwaar en beroep is het besluit van 14 juli 2023 door partijen weliswaar niet aan de orde gesteld maar appellant heeft ter zitting toegelicht dat hij in zijn bezwaarschrift van 3 augustus 2023 ook heeft beoogd bezwaar te maken tegen het besluit van 14 juli 2023. De Raad zal daarom dit besluit – zoals partijen ter zitting hebben bepleit – bij zijn beoordeling betrekken.
5.2.
De Raad ziet aanleiding eerst de vraag te beantwoorden of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op een WIA-uitkering over de periode voor 1 mei 2023 niet is vast te stellen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Appellant wenst met terugwerkende kracht in aanmerking te komen voor een WIAuitkering. Het ligt dan op zijn weg aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. Het Uwv heeft appellant daarom gevraagd naar zijn inkomsten vanaf mei 2022. Appellant heeft op 11 juli 2023 volstaan met het toezenden van een bericht van de ING, waaruit blijkt dat zijn bankrekening is beëindigd per 24 maart 2021. Hierop heeft het Uwv appellant gevraagd nadere stukken in te dienen, waaruit blijkt waar hij in de periode na zijn detentie heeft gewoond en waarvan hij heeft geleefd. Appellant heeft niet aan dit verzoek voldaan. Ook naar aanleiding van de vraagstelling van de Raad, waarbij appellant is verzocht onder meer informatie te verstrekken waaruit blijkt waarvan appellant heeft geleefd, heeft appellant geen nadere informatie overgelegd. Als gevolg van de ontbrekende informatie is het voor het Uwv niet mogelijk om vast te stellen of appellant vóór 1 mei 2023 recht had op een WIA-uitkering. Het Uwv kan daarom worden gevolgd in het standpunt dat appellant niet eerder dan per 1 mei 2023 in aanmerking komt voor een WIAuitkering.
5.3.
Gelet op wat is overwogen onder 5.2 kunnen de overige beroepsgronden van appellant onbesproken blijven.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, met verbetering van de gronden. Dit betekent dat het Uwv wordt gevolgd in zijn standpunt dat het recht op WIAuitkering pas met ingang van 1 mei 2023 kan worden vastgesteld en appellant niet eerder dan met ingang van die datum recht heeft op een WIAuitkering.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en A.I. van der Kris en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.

(getekend) T. Dompeling

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 6:19 Algemene Pro wet bestuursrecht

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.
3. Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.
4. Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.
5. De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
6. Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Artikel 43 Wet Pro WIA

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:
(…)
d. het rechtens zijn vrijheid zijn ontnomen;
(…).

Artikel 57 Wet Pro WIA

(…)
3. Het recht op WGA-uitkering herleeft alsnog op de dag dat geen van de uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 43, a, onder 2°, onderdeel d, e, f of i zich meer voordoet binnen vijf jaar na de in artikel 56 of Pro artikel 49 bedoelde Pro dag, mits de verzekerde op die dag gedeeltelijk arbeidsgeschikt is.
(…).

Artikel 64 Wet Pro WIA

1. Het Uwv stelt op aanvraag vast of recht op een uitkering op grond van artikel 47 of Pro artikel 54 ontstaat Pro.
(…)
11. Het recht op een uitkering op grond van deze wet kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.
12. Het elfde lid is van overeenkomstige toepassing indien het recht op uitkering op grond van deze wet later ontstaat dan wel herleeft of indien de uitkering op grond van deze wet wordt verhoogd.
13. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die door de verzekerde bij de aanvraag worden verstrekt.

Artikel 76 Wet Pro WIA

1. Het Uwv herziet beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;
b. de verstrekking van een voorziening als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, of 35 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
2. Indien een voorziening als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, of 36 in de vorm van een subsidie wordt verstrekt, wijzigt of trekt het UWV de beschikking tot vaststelling van de subsidie in, indien sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Indien daarvoor dringende redenen zijn, kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.