ECLI:NL:CRVB:2026:217

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
26/997 NOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij NOW-6 besluit

Appellant diende een aanvraag in voor de definitieve berekening van de tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-6, welke door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende omzetverlies. Het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing werd ongegrond verklaard. Appellant stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare reden.

Appellant voerde aan dat de overschrijding te wijten was aan mentale overbelasting en het wachten op correspondentie van het UWV, die hem de indruk gaf dat de zaak nog openstond. De rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat appellant voldoende gelegenheid had om tijdig beroep in te dienen, ook pro forma, en dat de overschrijding niet verschoonbaar was.

De Raad toetste uitsluitend de ontvankelijkheid en bevestigde de eerdere uitspraak, waardoor geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvindt. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 februari 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn, waardoor geen inhoudelijke behandeling plaatsvindt.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/997 NOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 april 2025, 24/2414 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] h.o.d.n. [bedrijf] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Uwv) (minister)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of de rechtbank het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 8 januari 2024 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege een niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Dit betekent dat niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens de minister heeft de Raad van bestuur van het Uwv een verweerschrift ingediend. Appellant heeft hierop een reactie gegeven.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens, werkzaam bij het Uwv.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Appellant heeft op 1 juni 2023 een aanvraag ingediend voor de definitieve berekening van de tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-6). Bij besluit van 6 september 2023 (primaire besluit) heeft de minister deze aanvraag afgewezen omdat appellant minder dan 20% omzetverlies had. De minister heeft daarnaast een op grond van de NOW-6 verleend voorschot van € 8.049,- van appellant teruggevorderd. Het bezwaar van appellant tegen dat besluit heeft de minister bij besluit van 8 januari 2024 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit nietontvankelijk verklaard, omdat appellant het beroep te laat heeft ingediend en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.1.
Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 8 januari 2024. Dit betekent dat appellant het beroep uiterlijk op 19 februari 2024 had moeten indienen bij de rechtbank. Het beroep van appellant, gedateerd op 29 februari 2024, is echter pas op 4 maart 2024 bij de rechtbank ingekomen.
2.2.
Appellant heeft in zijn beroepschrift aangegeven dat zijn beroep te laat is ingediend omdat hij in afwachting was van correspondentie van de minister. Appellant had echter ook beroep kunnen instellen om de termijn veilig te stellen. De laatste correspondentie tussen appellant en gedaagde na de beslissing op bezwaar heeft op 1 februari 2024 plaatsgevonden. Appellant heeft op dezelfde datum bij gedaagde aangegeven beroep in te stellen. Dat betekent dat appellant binnen de termijn van beroep, zijnde tot aan 19 februari 2024, voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn beroep, eventueel pro forma, in te dienen. De rechtbank ziet niet in waarom het beroep vanwege correspondentie met gedaagde niet eerder dan 29 februari 2024 ingediend had kunnen worden. De ter zitting genoemde reden dat appellant door zijn lange werkdagen hier niet aan toe is gekomen, wordt eveneens niet als voldoende reden voor verschoonbaarheid van het overschrijden van de termijn geacht.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant is het juist dat de formele indiening van het beroep op 4 maart 2024 heeft plaatsgevonden, maar uit de correspondentie met de minister blijkt dat hij zijn bedoeling om beroep in te stellen al voor het aflopen van de beroepstermijn aan gedaagde heeft overgebracht. Appellant vindt de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar. Hij heeft benadrukt dat de coronaperiode voor hem zakelijk en mentaal zwaar was. De overschrijding van de beroepstermijn is volgens appellant het gevolg van mentale overbelasting en niet van onverschilligheid.
3.1.
Appellant heeft verder aangevoerd dat hij door de minister aan het lijntje is gehouden. Een medewerker bezwaar van het Uwv heeft hem, nadat de beslissing op bezwaar was bekendgemaakt, nog verzocht om aanvullende stukken, cijfers en informatie aan te leveren met betrekking tot zijn onderneming en de specifieke omstandigheden. Hierdoor is bij appellant de indruk ontstaan dat er nog ruimte was voor een inhoudelijke behandeling en mogelijke toekenning van NOW-subsidie. Deze actieve informatieverzameling wekte bij appellant de indruk dat de zaak nog ‘open’ was en verder behandeld zou worden. Dat men hem intussen niet heeft gewezen op verstrijkende termijnen of op formele consequenties, acht appellant kwalijk en onzorgvuldig.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt slechts of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Niet in geschil is dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. Zoals ter zitting besproken oordeelt de Raad niet over de inhoudelijke aspecten van de terugvordering van het voorschot.
4.1.
In uitspraken van 30 januari 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen in bestuursrechtelijke procedures. [1] In de uitspraken van 8 mei 2024 en een uitspraak van 18 juni 2025 heeft de Raad zich aangesloten bij deze uitgangspunten. [2]
4.2.
Op grond van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, niet ontvankelijk verklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Uit artikel 6:24 van Pro de Awb volgt dat deze bepaling ook geldt voor het hoger beroep. Beoordeeld moet worden of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift of beroepschrift niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarvan is sprake als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door een handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, kan in de eerste plaats worden gedacht aan persoonlijke omstandigheden van de indiener zelf, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener, of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan. In de tweede plaats valt te denken aan externe omstandigheden die voor overbelasting en stress kunnen zorgen. Als de termijnoverschrijding aan de indiener kan worden toegerekend, dan is deze niet verschoonbaar.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat sprake was van mentale overbelasting waardoor hij het beroepschrift niet tijdig heeft ingediend. Appellant heeft dit standpunt echter niet met medische gegevens onderbouwd. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
4.4.
Appellant heeft verder aangevoerd dat hij het beroepschrift te laat heeft ingediend omdat hij in afwachting was van correspondentie van het Uwv. Dat had appellant er echter niet van hoeven te weerhouden om vooruitlopend op die nadere correspondentie een beroepschrift in te dienen. De voorlichting door het Uwv is immers juist geweest. Appellant is er in het bestreden besluit uitdrukkelijk op gewezen dat, als hij het niet eens is met dat besluit, hij tot uiterlijk zes weken na de dagtekening van het bestreden besluit, beroep kan instellen bij de rechtbank Rotterdam. Weliswaar heeft het Uwv na het bestreden besluit nog met appellant gecorrespondeerd en stukken opgevraagd, maar uit de laatste e-mail van het Uwv van 1 februari 2024 bleek duidelijk dat de minister zijn standpunt niet zou wijzigen. In reactie daarop heeft appellant het Uwv dezelfde dag per e-mail bericht dat hij beroep zou instellen waaruit bleek dat appellant ervan op de hoogte was wat zijn mogelijkheden waren. Vanaf dat moment was er voor appellant nog voldoende gelegenheid om tijdig beroep in te stellen bij de rechtbank. De beroepstermijn liep immers nog tot en met 19 februari 2024. Daarom valt niet in te zien dat appellant als gevolg van de correspondentie met het Uwv niet tijdig beroep heeft kunnen instellen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de zaak van appellant niet inhoudelijk wordt behandeld.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:33.
2.CRvB 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:932; ECLI:NL:CRVB:2024:972 en CRvB 18 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:935.