ECLI:NL:CRVB:2026:217
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij NOW-6 besluit
Appellant diende een aanvraag in voor de definitieve berekening van de tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-6, welke door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende omzetverlies. Het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing werd ongegrond verklaard. Appellant stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare reden.
Appellant voerde aan dat de overschrijding te wijten was aan mentale overbelasting en het wachten op correspondentie van het UWV, die hem de indruk gaf dat de zaak nog openstond. De rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat appellant voldoende gelegenheid had om tijdig beroep in te dienen, ook pro forma, en dat de overschrijding niet verschoonbaar was.
De Raad toetste uitsluitend de ontvankelijkheid en bevestigde de eerdere uitspraak, waardoor geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvindt. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 februari 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn, waardoor geen inhoudelijke behandeling plaatsvindt.